Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.604
op voor de waarheid der aangegeveiie stelling. Men neme een' hollen, ko;>ereii
bol van 8 a 10 duim middellijn of grooter, geplaatst op een isolerend voetstuk,
en in welken bol vau boven eeu gat is geboord van ongeveer 5 duim middellijn.
Men electrisere dien bol, rake zijne buitenzijde aan raet het vroeger beschrevene
geïsoleerde proefschijQe, en nu zal bij onderzoek met den electroscoop blijken,
dat het metalen schijfje geëlectriseerd is. Men rake, na het schijQe in den na-
tuurlijken toestand te hebben gebragt, nu ook door het gat de binnenzijde
van den bol aan, en men zal zien, dat het schijQe geen spoor van electrici-
teit heeft ontvangen.
Ziedaar dus de reden, waarom bij de electrische toestellen gewoonlijk holle ge-
leiders gebruikt wordea, en men even goed houten rollen, met bladtin bedekt,
voor conductors kan bezigen, als massive metalen geleiders. Ook blijkt nu,
waarom van Marum den bol van den conductor B (zie fig. 349) alsmede de
bollen D en A (zie fig 352) op de plaats, waar zij op de isolerende glazen
stang zijn bevestigd, een ingedrukten vorm gaf; immers wordt daardoor het
wegvloeijen der electriciteit langs die stijlen zooveel mogelijk verhinderd.
7°. Is hei geïsoleerde geleidende ligchaam geen bol, of niet kogelvormig, zoo
heeft er ook geene gelijkmatige verdeeling der electriciteit plaats, dat wil zeggen
de electrische laag, die zich over het ligchaam uitbreidt, heeft niet overal de-
zelfde digtheid. Heeft b. v. de van afgeronde einden voorziene geïsoleerde meta-
len cilinder a b (zie fig. 362) eene lengte van ruim 2 palm en eene dikte van 5
duim, zoo vindt men, dat de einden a en b
Fig. 362.
en ook het midden c, na elkander met
het proefschijQe i (zie fig. 359) aange-
raakt zijnde, niet dezelfde digtheid van elec-
triciteit bezitten, maar dat deze aan de ein-
den veel grooter dan in het midden is. Bij
eenen geleider van gezegde afmeting vond
men, dat de sterkte der electriciteit in het midden, 5 duim van|het einde, 2,5
duim van het einde en aan het einde zelf, tot elkander zich verhielden als de
getallen 1—1,25—1,8 en2,3. Hoe meerde gedaante eens geleiders van die eens
kogels verschilt, des te onregelmatiger verdeelt zich de electriciteit over de op-
pervlakte; zij hoopt zich zoo veel te meer aan de einden op, hoe dunner of spit-
ser zij zijn, eu daarmede staat in verband, dat, hoe digter de electriciteit in een
zeker punt is, zij des te eerder den wederstand der lucht zal overwinnen. Daar-
om is het dan ook, dat uit spitse puntende electriciteit zoo gemakkelijk weg-
stroomt. Nog vloeijen hieruit de navolgende daadzaken voort.
Indien men den conductor eener electriseermachine met eene punt voorziet,
zoo kan men hem onmogelijk goed laden.
Wanneer op eenige palmen afstands van den conductor eene spitse metalen
geleider wordt geplaatst, die met den grond in geleidende verbinding staat,
kan men den conductor evenmin laden; want deze laatste trekt uit den pun-