Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.605
afgevoerd aan eenen geleider, waarmede het in aanraking is geweest, of wel,
dat het zich tot den natuurlijken toestand heeft terug gebragt.
2'. TTit eene onzer proeven ontdekten wij, dat de beide vlierpithalletjes, nadat
het eene eerst glas-electriciteit en het tweede hars-electriciteit hacl ontvangen, in
den natuurlijken toestand geraakten, toen zij met elkander vereenigd waren
geweest. Andere proeven van dezen aard hebben blijken gegeven, dat, zoo een
geleider, die positief electrisch (-|-E) is, meteen' die negatieve electriciteit (—E)
bezit, in aanraking komt, die beide ligchamen onzijdig worden, dat is in deu na-
tuurlijken toestand geraken, ingeval het eene ligchaam eene hoeveelheid-J-E bezit,
die gelijk is aan de hoeveelheid —E, die zich in het andere bevindt; en dat zij, of
beide positief-electrisch of negatief-electrisch zullen zijn, naarmate de eene of
audere dezer electriciteiten in grootere mate in een der ligchamen voorhanden is.
Hieruit verklaart men, waarom kurk- of vlierpithalletjes, die op gelijken afstand
tusschen eene gewrevene stang van glas en wne gewrevene stang van lak hangen,
van de eene stang naar de andere vliegen, en dit spel zoo lang voortzetten tot
de electrische toestand der stangen ophoudt.
3*. Wanneer men twee ligchamen tegen elkander wrijft, wordt altijd het
eene positief-, het andere negatief-electrisch. Door dit wrijven worden namelijk
de beide tegenovergestelde electriciteiten, die men vooronderstelt in een ligchaam,
dat iu den natuurlijken toestand verkeert, in gelijke hoeveelheden voorhanden
te zijn, gescheiden, en elk der ligchamen toont dan eene overmaat van positieve
of negatieve electriciteit. De soort vau electriciteit wordt door de geaardheid van
de beide tegen elkander gewrevene stoffen be|)aald, eu hetzelfde ligchaam kan,
door wrijving met verschillende stoffen, nu eens positieve dan eens negatieve
electriciteit verkrijgen. Dit is echter altijd zeker: indien twee ligchamen tegen
elkander gewreven worden, ontstaan beide electriciteiten gelijktijdig; toont het
gewrevene ligchaam -|-E, dan bezit het wrijvende —E. Om deze reden is dau
ook de naam van glas-electriciteit niet juist: er zou bij be])aald behooren te
worden, waarmede het glas is gewreven; want wrijft men eerst hel glas met wol
of zijde, en deelt men de daardoor in het glas opgewekte electriciteit aan het
vlierpitballetje mede, zoo zal de glazen stang, nadat zij op nieuw met een katten-
vel is gewreven, het balletje, dat zij in het eerste geval afstiet, somtijds aan-
trekken, en zij is dus door de laatste wrijving negatief-electrisch geworden. Om
naauwkeurig te zijn, zouden wij dan moeten zeggen: positieve ofglas-electriciteit
verkrijgt men in glas, door het met wol, zijde of elke andere stof behalve met
een kattenvel te wrijven, en negatieve of hars-electyiciteit, indien de harsstang
met wol, zijde of een kattenvel gewreven wordt.
Dat in het eerste geval de wrijvende stoffen allen negatief-electrisch zijn,
het kattenvel somtijds positief, en bij de tweede bewerking de wol, de zijde, het'
kattenvel positief-electrisch worden, is reeds aangetoond. Het zal derhalve
naauwelijks noodig zijn, om aan de vermelding van het electrisch worden der
beide geïsoleerde personen, (zie bladz. 582), toe te voegen, dat in hem, die slaat,
26