Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.80
barnsteen beteekent. Het was nainehjk aan dezen steen, dat de griekscbe wijs-
geeren omtrent 600 jaren voor Jezus geboorte bemerkten, dat bij, gewreven
zijnde, ligte ligchamen aantrok en na korten tijd weder afstiet. De eleectriciteit,
zegt men, neemt haren oorsprong uit het bestaan van twee vloeistoffen, die in
alle ligchamen aanwezig zijn. Zoo lang deze in den gewonen toestand zich in
een ligchaam bevinden, vooronderstelt men, dat zij door hunne tegenovergestelde
eigenschappen wederkeerig elkanders werking vernietigen en dus haar aanwezen
niet verraden Door wrijving, drukking, klieving van een ligchaam, door onder-
linge aanraking van ongelijksoortige ligchamen, door scheikundige werking, enz.
wordt dat evenwigt, meent men, verbroken, eene der beide krachten wordt dan
afgevoerd, en de andere werkt in dat geval vrij naar buiten. Het ligchaam,
waarin dat geschiedt, noemt men dan electrisch. Daar men echter geen bewijs
heeft voor het bestaan der electriciteit, afgescheiden van de overige weegbare
stof, zoo noemen anderen het meer waarschijnlijk, dat de electrische verschijn-
selen moeten worden verklaard door eene zoodanige werking der ligchamen op
elkander, dat die wederkeerige invloed in staat is, om twee verschillende krach-
ten te doen ontstaan in een en hetzelfde deeltje, eu wel in twee tegenovergestelde
punten, dat is om elk ligchaamsdeeltje polariteit te geven. Wij zullen ons verder
met deze theoriën niet langer bezig houden.
DRIE EN ZEVENTIGSTE LES.
Geleiders en niet-geleiders, Mededeeling van electriciteit.
Er is reeds aangemerkt, dat a//e ligchamen door wryving electrisch worden.
Onderzoeken wij dit echter bij de metalen, vochtig hout, enz., zoo toonen deze
stoffen geeue de minste sporen van aantrekking, wanneer men ze nabij ligte
ligchaampjes, of den cleetrischet) slinger brengt (zie fig. 346). Barnsteen, glas,
eenige edelgesteenten, vooral diamant, zwavel, hars, porselein, kristallen, bont-
werk, teipentijnolie, vet, ijs, zijde, ivoor, was, lak, boomwol, verdord hout, pek,
suiker, enz. worden door wrijven wel electrisch, het eene meer, het andere
minder sterk. Tot aau het begin der 18' eeuw de kennis aangaande de electri-
citeit zeer beperkt zijnde, noemde men de eerstgenoemde ligchamen niet-electrisch,
de laatste c/ectnVc/». Verder onderzoek heeft deze namen als onjuist doen verwer-
pen. Waanneer men namelijk de ligchamen wrijft, doen er zich onder deze, met
betrekking tot het opwekken van electriciteit, tweederlei soorten op. De eerste
soort van stoffen toonen, wanneer slechts sommige harer deelen gewreven wor-
den, niettemin over hare geheele uitgebreidheid de opgewekte electriciteit; deze
verspreidt zich dus van de plaats, waar zij is werkzaam gemaakt, onmiddellijk
over het geheele ligchaam. Zulke stoffen geleiden dus de electriciteit zeer gemak-
kelijk van de eene plaats naar de andere, en men noemt ze daarom ^e/eWcrs. De