Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.571
meridiaan bevindt, zoo wordt zij, doodden invloed van het aardmagnetismus,
zelve magnetisch, en wel wordt haar ondereinde noord- en haar boveneinde zuid-
pool, waarvan men zich ligtelijk kan overtuigen, door eerst boven- eu dan onder-
aan nabij de stang eene gevoelige magneetnaald te houden: dezelfde pool wordt
dan aan het eene einde der stang afgestooten en aan het andere aangetrokken.
Keert meu de staaf om, zoo zijn ook oogenblikkelijk bare polen omgekeerd: hel
ondereinde is alsdan van zuid- tot noordpool overgegaan, en het boveneinde is
zuidpool geworden. Geeft men op eene der einden van de aldus geplaatste staaf
eenen slag, dan keeren onmiddellijk hare polen om en zij wordt blijvend mag-
netisch. Zal deze proef wel gelukken, zoo beproeve men eerst, door de staaf van
het oosten naar het westen in eene horizontale rigting met hare einden bij de
magneetnaald te brengen, of zij welligt reeds j;>olariteit bezit, zoo ja, dan kan
men haar niet gebruiken. Het best zal men slagen door daartoe eene gordijnroede
te nemen, die gewoonlijk, terwijl zij tot gebruik heeft gediend, van het westen
naar het oosten is geplaatst geweest.
Dergelijke werking, als boven is vermeld, brengt het aardmagnetismus op eene
staaf te weeg, die loodregt staat of hangt, maar zij is zwakker dan die op de zoo
even vermelde staaf; zelfs op alle ijzer oefent het aardmagnetismus invloed uit;
alle week ijzer wordt er polariteit door gegeven. Ook door stooten en slaan wordt
dikwijls het ijzef tot een' magneet. Men kan veiligstellen, dat alle werktuigen
in eene smidswcrkplaats magneten zijn. Opmerkelijk is het te zien, hoe in de
fabnjken sommige werktuigen bij hunne aanwending sterk magnetisch worden.
De vertikale boor, die eene dikke ijzeren plaat heeft doorboord, bezit zoodanige
magneetkracht, dat eene menigte draden ijzervijlsel zich aan haar ondereinde
vest hechten. Neemt de tang, asschop of pook, en gij zult ontdekken, dat de
ondereinden van deze, de plaatsen dus, welke aan de meeste wrijving en stooting
zijn onderworpen, de noordpool der magneetnaald afstooten, en dat de boven-
einden haar aantrekken: deze voorwerpen zijn dus ook magnetisch.
Niet alleen door stooten, slaan en wrijven schijnt er magneetkracht in het
ijzer te worden opgewekt, maar ook door scheikundige werkingen. IJzeren staven,
die in gebouwen geplaatst zijn, b. v. in muren, op kerkgebouwen, torens, enz.
en die in dezen toestand sterk verroest zijn geraakt, toonen dikwijls in eene
hooge mate magneetkracht te bezitten.
EEN EN ZEVENTIGSTE LES.
Over het diamagnetismus.
Tot aan het jaar 1846 meende men, dat alleen ijzer, kobalt, nikkel en mangaan
of bruinsteen magnetische eigenschappen bezaten; dat schier alle andere ligchamen
geene de minste uitwerking van de magneetkracht ondervonden. Faraday echter