Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
38
iiend, zooals het edelgesteente desapliirons toont. Van deze of de voorgaande
eigenschap der ligchamen kunnen de poriën de oorzaak niet zijn; want dan
moesten alle zeer poreuse ligchamen doorschijnend wezen.
Hard noemt men de ligchamen, wanneer hunne stofdeelen elkander zeer sterk
aantrekken, en zij weinig verandering van vorm gedoogen. De hardheid meet
men wel eens af naar het vermogen, hetwelk de eene stof bezij, om de andere te be-
krassen. De diamant, het hardste der tot nu toe bekende ligchamen, bekrast het
glas; vuursteen doet dit insgelijks; staal bekrast ijzer, enz. Door kristalliseren
worden menigwerf de ligchamen harder en brozer, dit ziet men in den genoemden
diamant en saphir. Het verdient opmerking, dat men het ijzer op eene kunstma-
tige wijze door bijvoeging van koolstof tot zacht staal weet te bereiden. Ten einde
dit zeer hard te maken, brengt men het te midden van houtskolen tot eene sterke
gloeihitte, en bekoelt het dan plotseling door indompeling in kwik, water,
vet of olie. Het gebruik van kwik maakt het staal het hardst; in water is
de hardheid minder, in vet of olie het minst. Groote voordeden heeft die
harding den mensch reeds aangebragt! — Bedenkt slechts , hoe vele werktuigen er
van staal worden vervaardigd, die ons in duizenderlei opzigten diensten be-
wyzen.
H^cck noemt men die ligchamen, welke gemakkelijk van vorm veranderd en
vaneen kunnen gescheiden worden, als lood, natte klei, vet, stopverw, was, enz.
Broos heet eene stof, die zich bezwaarlijk zonder breken laat verbuigen. De meest
broze ligchamen zijn hard en veerkrachtig tevens. Hard staal, gegoten ijzer,
glas behooren daartoe; de broosheid van het ijzer neemt toe naarmate het kouder
wordt Eene sterke verhitting en plotselinge afkoeling der ligchamen maakt hen
meestal broos en hard. Glas, te spoedig afgekoeld zijnde, is zeer broos. Eene lier-
gloeijing en langzame afkoeling neönt dikwijls de broosheid weg.
Taai noemt men de ligchamen, welker atomen door hunne kracht van za-
menhang lang tegenstand bieden, eer zij zich laten scheiden; gemakkelijk iaten
zij zich buigen. Taaije stoffen staan eene aanzienlijke verschuiving der kleinste
deelen toe, zonderden zamenhang te verstoren. Met taaiheid staan zeernaauwde
drie volgende eigenschappen, in verband. Staal is zeer taai. Onze beroemde land-
genoot Musschenbroek heeft zich ten aanzien van het onderzoek der taaiheid
van sommige stoffen zeer verdienstelijk gemaakt. Hij nam daartoe metalen en
houten staafjes, bevestigde deze aan het eene einde, liet ze loodregt afhangen, en
lïezwaarde het andere einde zoo lang met gewigt, lot zij braken. Hij vond, dat
de metalen in de navolgende orde in taaiheid toenamen: lood, spiesglans, zink,
bismuth, engelsch tin, japansch koper, fijn goud, zweedsch koper, fijn zilver,
duitsch ijzer. De houtsoorten volgden aldus: pijnboomhout, dennehout, linde-
hout, eikenhout, beukehout, essenhout. Dat deze proeven voor ambachtslieden
niet nutteloos genomen zijn, behoeft geen betoog.
Rekbaar heet eene zelfstandigheid, wanneer de atomen eene aaimierkehjke
verplaatsing gedoogen, zonder de werking op elkander te laten varen, of wanneer