Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
üo8
Zoo is het ook met regte magnetische staven gesteld; ook bij deze zijn naar
evenredigheid de zwaarste tevens de zwakste. Dat deze over het algemeen minder
draagkracht bezitten dan de hoefvormige, is reeds aangemerkt. In het algemeen
kan men, volgens de onderzoekingen van Hacker, het gewigt, dat goede mag-
neten moeten dragen, vinden, door uit het vierkant van hunne zwaarte, in kilo-
grammen uitgedrukt, den kubiekwortel te trekken, en dezen gemiddeld genomen
met het getal 10,328 te vermenigvuldigen. Dezen regel kau men aldus stelkunstig
uitdrukken 10,328 n^, zijnde dus hierin n het aantal kilogrammen, dat de
magneet weegt. Het getal ponden, dat men hierdoor verkrijgt, werd dan ook
zeer zelden door de draagkracht van eeu magneet overtroffen. Sedert de uit-
vinding van Elias evenwel is die draagkracht zoodanig verhoogd, dat men voor
het getal 10, enz, veilig 20 mag stellen, zoodat de Logemansche magneten het
ilubbel dragen van de beste der vroeger zamengestelde.
NEGEN EN ZESTIGSTE LES.
Over het meten Yan magnetische krachten.
Fig. 333.
é
Wanneer wij de wetten, die aangaande den slinger van bladz. 84 tot 89 vermeld
Zijn, aandachtig beschouwen, blijkt daaruit duidelijk, dat de slingeringen van
denzelfden slinger sneller zullen geschieden, naarmate de krachti die hem in den
evenwigts toestand brengen of houden wil, grooter is. De snelheid, waarmede
die sbngeringen plaats grijpen, strekt dan ook tot maat voorde kracht, die op den
slinger werkzaam is, om hem in rust te brengen. De gezegde snelheid wordt
natuurlijk afgeleid uit het aantal schommelingen, die de slinger in een' gegeven
tijd volbrengt; dat aantal zal dus vermeerderen en bij gevolg de snelheid grooter
worden bij het toenemen der kracht.
Zeer duidelijk is dit bij den magneet
merkbaar. Daartoe gebruike men een
zeer ligt magnetisch staafje of strookje
staal, dat men vrij op de punt eener
naald laat zweven. Fig. 333 stelt eene
inrigting voor, die daartoe gewoonlijk
wordt aangewend. Hierin verbeeldt ab,
den ruitvormigen, ligten magneet, ge-
woonlijk magneetnaald genoemd, in de
bovenste figuur op het platte gedeelte
en in de onderste op den kant gezien.
Ook deze naald kan men gemakkelijk
knippen uit het staal, waarvan op bladz.
555 is gesproken, en haar daarna door