Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
ms
maar naar het midden overhellen, even alsof de einden der draden een streven
aan den dag legden, om zich van de einden a en 6 van den magneet te ver-
wijderen. In het midden mm' ziet men geen enkel ijzerdeeltje.
Het ijzervijlsel van den magneet gestreken hebbende, boude men boven het
midden m m' van den staafmagneet, zonder hem aan te raken, een dun stukje
week ijzerdraad van omtrent 2 duim lengte, dat in het midden en dus horizon-
taal is opgehangen aan een' dunnen draad. Het staaQe blijft nu horizontaal
hangen; maar voert men het vervolgens langzaam naar een der einden a of b, zoo
neemt het eene des te meer schuine, tegen den horizon hellende rigting aan,
hoe meer men het einde nadert; boven het einde zelf plaatst het zich bijna
verticaal.
Dit zijn zeer merkwaardige proeven. Zij leeren ons, dat de magneet aan zijne
beide einden a en b veel gruoter kracht uitoefent dan op eenige andere plaats. Het
midden m m' van den magneet of de plaats, waar hij volstrekt geene aantrekking
toont, heet de middellijn van den magneet. Deze lijn verdeelt den magneet in
twee deelen, welke men zijne beide po/en noemt. Met den naam ;3oo/duidt men
echter hoofdzakelijk die punten a en b in het inwendige van den magneet aan,
waarin wij ons de aantrekking, die hij aan beide einden uitoefent, vereenigd
kunnen verbeelden, even als wij de gezamentlijke aantrekking der aarde ons in
baar middelpunt vereenigd voorstellen. De lijn, die de beide polen a en b ver-
bindt, noemt men de magnetische as.
Heeft men bij het nemen der tweede proeve gezien, dat de tusschen gelegene
lucht de magnetische kracht niet in hare werking stoort, evenmin wordt zij door
tusschenplaatsing van andere stoffen in de aantrekking belemmerd, slechts één ligchaam,
namelijk het ijzer, uitgezonderd. Om dit te bewijzen, brenge men tasschen het
hangende ijzeren kogeltje of den zoogenaamden magnetischen slinger (zie de
tweede proef) en den magneet achtereenvolgend platen glas, bordpapier, zink,
koper, lood enz., en de kogel zal niettegenstaande dat door den magneet worden
aangetrokken. Men kan zich nog op eene andere wijze van het bestaan der ge-
noemde eigenschap overtuigen. Men strooije op een vel papier, op eene matte gla-
zen ruit, eene dunne plank, of dergelijke, eenig ijzervijlsel, legge het vervolgens op
een' verticaal staanden hoefvormigen magneet, en brenge nu het glas in eene
trillende beweging, door er even met de vingers tegen te trommelen. De ijzer-
deeltjes nemen allengs eene regelmatige figuur aan, zoodat zij eene afbeelding
vormen van de polen des magneets, die er onder staat (zie fig. 310), terwijl
andere deeltjes kromme lijnen beschrijven, die weder duidelijk aantoonen, dat
de beide polen van den magneet het sterkst het ijzer aantrekken. Waarom
die kromme lijuen zich op sommige plaatsen van elkander verwijderen en zich
in de middellijn m m' vereenigen, zal later worden verklaard. Hadde men de
staaf a b fig. 309 onder het papier gelegd, en voor het overige op dezelfde wijze
gehandeld, zoo zou het ijzervijlsel zich geplaatst hebben gelijk de figuur aangeeft.
De magneetkracht werkt dus door alle stoffen heen, behalve door het ijzer. Deze waar-