Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
S-ll
steenen rangschikte, doch welke bij nader onderzoek bleek te bestaan uit ijzer en
zuurstof en derhalve een ijzeroxyde te zijn. Die ijzererts, welken de ouden,
gelijk sommige meenen, naar de stad Magnesia in Kleiu-Azië, waar hij het eerst
zou gevonden zijn, magneet of magneetsteen hebben genoeind, bezit de opmerkelijke
eigenschap van ijzer aan te trekken en het aan zich vast te hechten. Dit wordt
blijkbaar, wanneer men hem in ijzervijlsel dompelt; het ijzer hecht er zich op
verschillende plaatsen aan. Er zijn meer ligchamen, welke het vermogen doen
kennen, om ijzer aan te trekken, en men noemt deze in het algemeen magneten.
De kracht, die dit merkwaardig verschijnsel opwekt, noemt men
Behalve dat rnen zulke magnetische ligchamen in de aarde in hunnen natuur-
lijken toestand vindt, kan men re ook door kunst voortbrengen en noemt ze dan
kunstmagneten.
Stel u vooreen vierkant stalen staafje ab zie fig. 309, dat men op eene nader
te omschrijvene wijze tot een' magneet heeft gemaakt. Dompelt men het eene
einde der staaf in ijzervijlsel, zoo ziet men dat er een groot aantal ijzerdeeltjes
aan blijven hangen, en wel zoodanig, dat het eene deeltje zich weder aan het
andere hecht, zoodat er als het ware draden van aau elkauder verbondene stukjes
metaal door worden gevormd. Strijkt men het ijzervijlsel van den magneet af en
brengt men hem langzamerhand in de nabijheid van een aan een' dunnen, buig-
zaraeu draad hangend ijzeren kogeltje, zoo geraakt dit hoe langer hoe meer uit
de rigting der loodlijn, het wordt met aanwassende sterkte naar den magneet
heen getrokken, en hecht er zich eindehjk aan vast. Hangt men den magneet
aan eenen draad op, en nadert men hem met een stuk ijzer, dau zal dit den
magneet zijnen evenwigtstoestand doen verlaten en hem doen omdxaaijen of tot
zich doen naderen.
Wij hebben op deze wijze reeds eenige eigenschappen vau den magneet leeren
kennen. Zij zijn:
1 *. De magneet trekt ijzer aan, en wanneer er zich een ijzerdeeltje aan heeft ge-
hecht, wordt dit schijnbaar ook een magneet en trekt insgelijks ijzer tot zich. Dit
toonde ons de eerste proeve.
2'. De magnetische aantrekkingskracht werkt even als de zwaartekracht op eenen
afstand, en neemt toe naarmate de afstand vermindert.
3*. Het ijzer trekt zoowel den magneet als deze het ijzer aan.
Wij zullen eene andere proef nemen I — Wanneer men een' magneet geheel
en al in ijzervijlsel legt, zoo ontdekt men, wanneer hij uit het ijzer wordt geligt,
dat de beide einden a en 6 (zie fig. 309) met lange diadeu van ijzerdeelen bedekt
Fig. 309. zijn, die regthoekig op de op-
pervlakte van den magneet
overeind staan; bespeurt ver-
der, dat de draden of schakels

van de ijzerdeeltjes, hoe meer
zy het midden m m' naderen, steeds korter worden, niet meer overeind staan.