Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.539
daaruit voort, dat de grond, in aanraking zijnde met dunnere lucht, des nachts
ook meerdere warmte kan uitstralen.
Verder hangt de hoogte, op welke zich het eeuwigdurend ijs hevindt, nog af
van de luchtstreek, waarin de bergen gelegen zijn. Immers zal de sneeuwgrens op
bergen, in de heete luchtstreek gelegen, hooger liggen dan in de meer noorde-
lijk of zuidelijk gelegene landen? Men kan zich een gebogen vlak of eene hjn
voorstellen, de geheele aarde als insluitende, en gaande door al de punten,
waarde temperatuur der lucht, gedurende eeu geheel jaar, 0° is, en waar dus
de sneeuw nimmer kan smelten. Zulk eene lijn noemt men de sneeuwlinie: zij
verwijdert zich in de heete luchtstreek het verst van de aarde, en buigt
zich in de koude luchtstreek op hare oppervlakte neder. Alle bergtoppen
nu, die boven deze lijn uitsteken, zijn met eeuwigdurend ijs of sneeuw be-
dekt. Zoo zijn bijvoorbeeld de europesche Alpen, met aanzienlijk uitgestrek-
te en onmetelijk dikke ijsvelden bedekt, die op laatstgenoemd gebergte bekend
zijn onder den naam van gleischers. Deze verschrikkelijke ijsmassaas ontstaan
op de navolgende wijze. Indien er op de bergtoppen eene groote menigte sneeuw
valt, en er hierop eenige wanne dagen volgen, zoo begint het bovenste gedeelte
van de sneeuw te smelten, eu het water, daardoor ontstaande, dringt tot op
eenige diepte in de sneeuw Des nachts, en meer nog gedurende den winter,
bevriest deze natte bovensneeuw tot korrelachtig ijs. Dit verschijnsel herhaalt
zich telkens ; het water dringt steeds dieper door, het ijs breidt zich derhalve
steeds verder nit, en zoo vormen zich eindelijk deze onafzienbare ijsvelden. Ge-
durende den winter ondergaan deze gletschers geene aanzienlijke verandering;
maar zoodra de lucht warmer begint te worden, hoort men dikwerf een vervaar-
lijk geraas en donderende slagen. Van dag tot dag ontstaan er diepere wijde
scheuren in het ijs, en heeft ongelukkig het geval plaats, dat er zich brokken
van deze massaas afrukken, zoo storten geheele ijs- en sneeuwhoopen naar
beneden, die rotsen verbrijzelen, steenklompen, boomen en grond met zich
rukken, hutten omverwerpen en zelfs geheele dorpen vernielen. Men ziet in
de gletschers onuitputtelijke voorraadschuren van water; want het sneeuwwa-
ter, zich onder de ijshedekking verzamelende, baant zich eindelijkeenen uitweg,
vormt kleine beken, van welke de rivieren voedsel ontvangen, en wordt altijd,
zelfs bij de strengste koude, vloeibaar gehouden door de slechte warmteleiding
van het ijs en de natuurlijke oorspronkelijke warmte der aardkorst.
Hebben wij tot hiertoe den warmtegraad der lucht beschouwd, laat ons nu
zien, hoe het met den aardbodem is gesteld. Het is al aanstonds duidelijk, dat,
door het slecht geleidend vermogen der aarde, de warmte tragelijk in de aard-
korst kan binnen dringen ; en als de oppervlakte zich verkoelt, de diepere aard-
lagen ook weder langzaam de warmte moeten verliezen. In eene niet aanmerke-
kelijke diepte moet derhalve de gewone dagelijksche afwisseling van de hoogte des
thermometers reeds minder aanzienlijk zijn, en op eene meerdere diepte ook reeds
het verschil tusschen den zomer- en winter-thermometerstand niet meer sterk