Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.588
schil in temperatuur, door het verschil in hoogte voortgebragt, op den planten-
groei heeft; inzonderheid is dit in de keerkringslanden zeer merkbaar.
Op het zeer hooge gebergte van Zuid-Amerika kan men in eenen dag uit de
palm-en banaanbosschen, en dus uit de gewassen der heete luchtstreek, tot aan
de grenzen van het altijddurend ijs opklimmen. Men kan dus op eenen berg,
die eene tamelijk aanzienlijke hoogte heeft, onderzoeken, welke gewaarwording
de verschillende luchtstreken der aarde op ons te weeg brengen. Indien men
des zomers de Alpen in Zwitserland van een hoog en eenigzins verwijderd stand-
j>unt beschouwt, bij voorbeeld van den Rigi, zoo ontdekt men in de diepte de
vruchtbare bouwgronden der dalbewoners; eenigzins hooger ziet men de uitge-
strekte wouden, die de bergen als gordels omvatten ; aan de woudgordels gren-
zen hooger op de weiden, en op deze volgen de tot aan den top uitgestrekte
eeuwigdurende ijs- en sneeuwvelden.
Het spreekt wel als van zelf, dat de hoogte, tot welke men een bei^ moet
beklimmen, ten einde het altijddurend ijs te bereiken, niet aan alle oorden der
aarde dezelfde is. Deze hoogte hangt vooreerst af van de grootte of uitgestrekt-
heid des bergSy dien men tot zijn onderzoek \ erkiest. Helderen wij dat nader op.
Bij het opstijgen in eenen luchtbol zal de koude in de hoogere luchtgewesten
grooter zijn, dan bij gelijke hoogte op eenen berg; deze toch wordt des daags ver-
warmd door den invloed der zonnestralen, straalt des nachts weder warmte
uit, en wijzigt dus ontwijfelbaar den warmtegraad der luchtlagen, die dezen
berg omringen. Hoe grooter of uitgestrekter de berg is, hoe meer die invloed
merkbaar woi'dt. Een afgezonderde hooge bergtop kan niet zeer verwarmd
worden, dewijl de wind telkens koude luchtdeelen aanvoert, die hem zijne
warmte ontrooveu. Eene hooge berg\'lakte daarentegen, zooals bij voorbeeld die,
waarop het meer van Titicaca ligt op de grenzen van Peru en Bolivia, die,
op welke de stad Quito in Zuid-Amerika is gelegen, die van Tibet en Chi-
neesch Tartarije iu midden-Azië, die van Mexico in Noord-Amerika, enz zulke
vlakke en breede bergtoppen {plateaux), kunnen door de zonnestralen zeer aan-
merkelijk verwarmd wordeu; want vooreerst bevindt zich boven deze eene
luchtlaag, die minder hodg en digt is dan de lucht in de lage landen ; de zonne-
stralen, welke dus op zulk eene bergvlakte nederschieten, verliezen daardoor
minder warmte door opzuiging van de lucht, dan zulks op lage plaatsen door
digtere lucht geschiedt, en kunnen dien ten gevolge de aarde sterker verhitten;
ten anderen blijft de door de uitstraling van den aardbodem verwarmde lucht
langer tijd met den grond in aanraking; en dat dit een en ander te zamen ge-
nomen eenen gewigtigen invloed op de warmte der hoogere luchtgewesten heb-
ben moet, laat zich gemakkelijk begrijpen. Van daar dan ook, dat in het Mexi-
caansch gebergte, op 18 of 19 graden breedte, bij eene hoogte van 4^00 el,
geen land- of akkerbouw meer mogelijk is, terwijl in Peru, op dezelfde breedte,
zelfs op grootere hoogte een akkerbouwend volk woont Dat het gedurende den
nacht op zulke bergvlakten kouder is dan in de lager gelegene landen, vloeit