Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
UB3
de toeneming der warmte eerst merkbaar te worden; gaat zij door de even-
nachtslijn (22 Maart) dan stijgt zij het snelst naar het noorden voort, weshalve
om dezen tijd de temperatuur het meest toeneemt. Heeft de zon haren hoogsten
stand bereikt, dan is de aarde nog uiet zoo sterk verwarmd, dat de warmte,
welke zij door uitstraling verliest, de hoeveelheid warmte evenaart, welke zij
door de zonnestralen ontvangt; de evenwigts-toestand te dien aanzien zal eerst
eenigen tijd na den hoogsten stand der zon plaats grijpen. Thans gaat de
zon op nieuw, en wel weder langzaam, naar den evenaar terug: de werking der
zonnestralen is daardoor nog eenigen tijd even zoo krachtig, als toen de zon
zich in den kreeftskeerkring (22 Junij) bevond; de warmtegraad zal derhalve
nog na den längsten dag, en wel tot in het midden van Julij, moeten stijgen,
om daarna weder af te nemen. Het spreekt van zelf, dat wij bij de aanwijzing
van de beweging der zon slechts hare schijnbare beweging bedoeld hebben.
De beroemde natuuronderzoeker en onvermoeide wetenschappelijke reiziger
Humboldt heeft zich bevlijtigd, om door middel van lijnen al die plaatsen, op
elk halfrond der aarde te vereenigen, welker gemiddelde jaarlijksche tempe-
ratuur gelijk is. Deze lijnen heeft hij isothermische lijnen genaamd. Uit den loop
dezer lijnen blijkt, dat de evenaar niet over de heetste aardstreken loopt, maar
dat deze laatsten eigentlijk benoorden de evennachtslijn in Senegambiè, mid-
den-Afrika, zuid-Azië, enz. liggen.
Ook is uit de waarnemingen van Humboldt gebleken, dat de noordpool niet
de koudste streek der noordelijke helft van onzen aardbol is; maar dat de
koudste oorden gevonden worden iu het noordelijk deel van het vastland van
Azië en in dat van Noord-Amerika.
Meent nu evenwel niet, dat die plaatsen, welke eene gelijke gemiddelde jaar-
lijksche temperatuur genieten, dat is dezulken, waarover dezelfde isothermische
lijn loopt, ook gelijke gemiddelde zomer- of winter-temperatuur hebben. Im-
mers de winter kan aan een zeker oord streng en de zomer bijzonder heet zijn;
terwijl eene andere plaats eenen matig warmen zomer en eenen zachten winter
heeft, en daardoor kau toch hun beider gemiddelde jaarlijksche warmtegraad
even groot zijn. Zoo is bij voorbeeld de gemiddelde jaarlijksche warmte voor
Tubingen, in het midden van Duitschland, eu voor Edinburg, de hoofdstad
van Schotland, 8°,6, echter is de gemiddelde warmte des zomers te Tubingen
17°,1 en te Edinburg Je gemiddelde wintertemperatuur is in de eerstge-
noemde plaats daarentegen 0%2 en die te Edinburg 3',6. Men ziet derhalve
hieruit, dat, bij gehjke gemiddelde jaarlijksche temperatuur, Edinburg een
zachteren winter en een' minder warmen zomer heeft dan Tubingen.
Humboldt heeft door lijnen ook die plaatsen verbonden, welke eene
gelijke gemiddelde winter-temperatuur, alsook die, welke gehjke gemiddelde
zomer-temperatuur bezitten. De eerste lijnen noemt hij isochimenen, de laatste
isotlieren.
Uit den loop dezer lijnen blijkt, dat de westkust van het zuidelijke deel van