Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.534
Dat deze geregelde loop der warmte dikwijls door bijkomende omstandigbe-
den wordt afgebroken, is algemeen bekend.
Indien men al de getallen graden, die men ten aanzien van de hoogte des
thermometers gedurende 24 uren heeft aangeteekend, bij elkander telt, endoor
het getal gedane waarnemingen deelt, zoo bekomt men de gemiddelde dagelijksche
temperatuur eener plaats.
Kent men de gemiddelde temperatuur van alle dagen eener maand, telt men
deze getallen graden bij elkander, en deelt men die som door het aantal dagen
der maand, zoo bekomt men den gemiddelden maandelijks chen thermometers tand.
Deelt men de som van al de getallen, die den gemiddelden warmtegraad der
verschillende maanden van het jaar aantoonen, door 12, dan bekomt mende
gemiddelde jaarlij ksche temperatuur eener plaats.
Dewijl deze laatste in onderscheidene jaren nog verschillend kan zijn, zoo
moet men, ten einde de gemiddelde temperatuur van eenig deel der aarde naauw-
keurig aan te wijzen, uit de gemiddelde temperatuur van verschillende, en zoo
mogelijk van zelfs eeu groot aantal jaren, weder het gemiddelde zoeken.
Het spreekt van zelf dat, met het vermeerderen van het getal waarnemin-
gen, ook de juistheid van de aanwijzing der gemiddelde temperatuur moet toe-
nemen.
Ook de gemiddelde maandelijksche temperatuur is voor dezelfde maand in
het jaar dikwijls zeer verschillend; daarom is het doelmatig, dat men de
gemiddelde temperatuur van ééne en dezelfde maand over verschillende jaren
bij elkander telt, en deze som door het aantal genomene jaren deelt; waardoor
dan eene meer zuivere gemiddelde verkregen wordt.
Men heeft door vele waarnemingen ontdekt:
1®. dat Julij de heetste, en Januarij de koudste maand des jaars is;
2o, dat men in het algemeen voor de noordelijke gematigde luchtstreek deu
26 July voor deu heetsten, en den 14 Januarij voor den koudsten dag des jaars
mag houden ;
3°. dat men de gemiddelde temperatuur van het geheele jaar in genoemde
luchtstreek op den 24 April en den 21 October heeft;
4°. dat de warmte van het midden van Januarij af langzaam toeneemt, in
April en Mei sneller, dan weder tot het midden van Julij langzaam; dat zij ver-
volgens begint af te nemen, en wel langzaam in Augustus, sneller in September
en October, en in het midden van Januarij haar laagste punt bereikt.
De verklaring van den gang der warmte in het laatste punt vermeld, komt
eenigermate overeen met die, welke van de dagelijksche toe- en afneming der
warmte is gegeven. Wanneer de zon namelijk uit deu steenbokskeerkring (22
December) weder hooger stijgt, zoo geschiedt dit stijgen zeer langzaam, de da-
gen nemen niet veel in lengte toe, en de zonnestralen kunnen nog niet veel krachts
ontwikkelen; de laagste temperatuur des jaars heeft dus na den 22 December
plaats. Indien de zon reeds iets hooger naar het noorden is voortgerukt, begint