Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
gematigde en koude luchtstreken. Hoe verder men zich van den evenaar verwij-
dert, hoe grooter het verschil tusschen dag en nacht in den loop des jaars
worden kan, hoe langer dus ook de zon, wanneer hare stralen het minst schuin
vallen, boven den horizont vertoeft. Ziedaar dereden, waarom het op sommige
plaatsen, die ver van den equator verwijderd liggen, in den zomer zeer heet kan
worden. In Petersburg, bij voorbeeld, stijgt de thermometer .soms tot op 30°. In
deze landen herstelt derhalve de lange duur vau de werking der zonnestralen,
wat deze door hunne schuine rigting aan kracht moeten verliezen. In den win-
ter daarentegen is de dag in de genoemde streken zeer kort, de zon blijft alsdan
zeer lang onder den horizont, de aardbodem straalt gedurende dien tijd veel
warmte uit, en dit zijn dan ook de oorzaken, waarom de winter in de noor-
delijke streken bovenmate koud is. Hieruit is dan blijkbaar, dal het verschil
tusschen zomer en winter des te grooter zijn zal, naarmate men zich verder van de
evennachtslijn verwijdert.
In Eogota, gelegen op 4°» 35 ten noorden van den evenaar in Nieuw-Grenada,
een deel van Zuid-Amerika, verschilt de gemiddelde heetste en koudste maand
van het jaar slechts 2 graden, in Petersburg 32o, en voor Boothia-Felix, een
schier eiland, dat in het noordelijk gedeelte van Noord-Amerika ligt, beloopt dit
verschil reeds 41 graden.
Meent echter niet, dat alleen van den afstand, dien de plaatsen op onze aarde
van de evennachtslijn hebben, haar warmtegraad afliangt, en dat dus alle oor-
den, die op dezelfde breedte liggen, dezelfde luchtsgesteldheid hebben; de tem-
peratuur hangt ook voor een groot gedeelte af van^de gedaante der landen en der
zeeën, van de rigting en hoogte der bergketens, van de meest heerschende winden, enz
Laat ons eenige oogenblikken bij dit onderwerp stilstaan.
Vooreerst verdient onze opmerking, dat niet alleen jaarlijks de stand van den
thermometer aan eene plaats verandert, maar ook dagelijks. Trouwens de er-
varing leert, dat het op den middag warmer is dan des morgens of des avonds;
des middags vallen immers ook dc zonnestralen het minst schuin.
Om alle veranderingen, die de warmte van den dampkring gedurende 24 uren
ondergaat, te kennen, behooren er van uur tot uur thermometer waarnemingen
gedaan te worden. Menigvuldige aanteekeningen, aan verschillende plaatsen ge-
houden, hebben geleerd, dat de laagste thermometerstand gedurende 24 uren plaats
heefl kort voor den opgang der zon, en de hoogste eenige uren na den middag. De
verklaring hiervan is niet moeijelijk ; terwijl de zon vóór den middag steeds
hooger en hooger stijgt, ontvangt de oppervlakte der aarde meer warmte dau
zij uitstraalt, en hare temperatuur moet dus, zoowel als die van deu dampkring,
stijgen; dit duurt nog eenigen tijd na 12 ure voort. Thans daalt de zon meer
eu meer, hare stralen worden minder krachtig, de aarde straalt meer warmte
uit, dan zij ontvangt, zij neemt in warmte af, en deze verkoeling duurt natuur-
lijk voort tot kort voor den opgang der zon, wanneer het morgenrood den te-
rugkeer van dat hemellicht aankondigt.