Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.382
Waarom zal eene lamp met eeue zeer duuue pit bij koud weder niet branden,
en zeker uitgedoofd worden, indien men een koud metalen ringetje of eenen me-
talen knop om of bij de vlam houdt.
Indien men bij sterken wind eene brandende cigaar in de hand houdt, zoo
brandt zij in, aan de van den wind afgekeerde zijde: hoe komt dit ? Men zou,
oppervlakkig beschouwd, het tegenovergestelde vermoeden, daar het vuur aan
de windzyde de meeste zuurstof ontvangt en dus feller zal branden.
Het is niet goed, water opsteenkolen te gieten. Waarom niet? —(Denkt aan
de menigte warmte, die door het vocht, tot stoom overgegaan zijnde, in gebon-
den' staat wordt weggevoerd).
Waarom zal eene geringe hoeveelheid waters, in het vuur geworpen, dit feller
doen branden? (Deukt aan de ontleding van het water).
ZES EN ZESTIGSTE LES.
Over de warmte zooals zij over de aardoppervlakte is ver-
spreid, Dagelijksche-maandelijksche-jaarlijksche tem-
peratuur. Isotliermisclie- isocliimenisclie- isotheri-
sche lijnen. Warmte der aardkorst.
Wij hebben reeds iu de eerste les dezer afdeeling doen zien, dat de stand der
aarde met betrekking tot de zon, of duidelijker gezegd, dat de meer of min
schuine rigting, waarin de zonnestralen onze aarde treffen, de voorname oorzaak
is der verschillende luchtstreken. De grond hiervan moet, behalve iu het reeds
aangegevene en in vele nog onbekende oorzaken, voornamelijk daarin gezocht
worden, dat de warmtestralen der zon, zoo zij in eeue schuine rigting op de
oppervlakte der aarde vallen, een veel grooter gedeelte van den dampkring moe-
ten doorloopen, dau wanneer zij de aarde loodregt treffen; en dat aan deze
stralen derhalve in het eerste geval meer warmte door de lucht wordt ontnomen
dan iu het laatste. Ook heeft de tijd, gedurende welken de zou boven den hori-
zon vertoeft, een'grooten invloed op de temperatuur van verschillende oorden.
Tusschen de beide keerkringen, is de afwisseling vau de lengte der dagen zeer
onbeduidend. Onder de evennachtslijn toch zijn dagen en nachten altijd even
lang, terwijl aan die oorden, welke onder deu keerkring gelegen zijn, eu waar
dus het verschil tusschen den längsten en kortsten dag het grootste is, de dagen
naauwelijks uur met den dag, onder de evennachtslijn, verschillen. Hier kan
dus de de afwisseling in de lengte der dagen geeneu invloed op den loop der
warmte gedurende het geheele jaar hebben; doch anders is het gesteld in de