Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
Waarom ziju naauwsluitemle kleecleren niet zoo warm als die, welke ons wijd
om het lyfhangen?
Waarom is het onder daken van stroo des zomers minder warm en des win-
ters niet zoo koud als onder painien daken ?
Indien men in eene kamer met eenen waaijer de lucht tegen een' thermometer
blaast, zoo ondergaat deze geene verandering; nogtans veroorzaakt dit zelfde
waaijen tegen ons ligchaam een koud gevoel. Hoe komt dit?
Zoo men op eene plaats, waar de thermometer iets boven het vriespunt staat,
een stuk ijs brengt, en daarop met eenen blaasbalg blaast, zal het veel spoediger
smelten, dan wanneer men het aan zichzelven overlaat. Zegt hiervan eens de
reden ?
Waarom ondervindt iemand, die met verkoudheid in het hoofd is gekweld,
meer verligting door een' zakdoek van linnen te gebruiken, dan wel dooreen'
van katoen?
W^aarom kookt het water in een* ijzeren pot veel spoediger dan in een'van
porselein?
Zou het borstharnas, waarmede sommige ruiters zijn toegerust, een warm
kleed opleveren?
Runt gij het wijze oogmerk, waartoe God aan de meeste «lieren der poolge-
westen withaar heeft gegeven, eenigermate doorzien.'
Waarom vindt men het doorgaans koel op plaatsen, waar de grond met mos,
bladeren of andere ruigte is bedekt ?
Waarom moet men een' thermometer, die bestemd is om naauwkeurig den
warmtegraad der lucht te onderzoeken, aan de noordzijde van een gebouw han-
gen, 3 of 4 palm van den wand, niet in de nabijheid van een witten muur?
Waarom worden zwarte muren, die aan den zonneschijn zijn blootgesteld,
zoo ondragelijk heet?
Waarom smelt des winters de sneeuw spoediger weg bij donker gekleurde
palen, boomstammen en molshoopen dan midden op de vlakte?
Waarom is het beter den kagcliel zwart te maken, dan hem blinkend te
poetsen? en waarom is het aanbrengen van veel lofwerk of sieraad hier
voord eelig?
Waarom wordt de aarde door de zonnestralen sterker verwarmd dan de zeeën
en vloeden?
Wanneer men een' thermometer nabij den grond, en een' anderen eenige
ellen daar boven plaatst, waarom staat dan de eerste gedurende den nacht lager
dan de tweede?
Waarom loopen de jonge planten meest gevaar vau te bevriezen in de heldere,
koude voorjaarsnachten?
Waarom dauwt het in heete landen het sterkst, en waarom in onze streken in
de lente en den herfst doorgaans sterker dan in den zomer? (Denkt aan het groote
verschil der temperatuur van dag en nacht).