Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.15
De warmbloedige dieren, die bestendig het water hewonen, zooals den wal-
visch, den walrus, den zeeleeuw, het zeekalf, enz. bekleedde de wijze God, omdat
het baar hun niet zou kunnen dienen, met eene vetlaag, die insgelijks hunne
warmte onderhoudt en den mensch tevens de nuttige traan oplevert.
Hoe verder wij ons van de poolstreken verwijderen, des te korter en dunner
wordt het haar der viervoetige dieren en de vederen der vogelen. Eene verge-
lijking tusschen het schaap der heete en dat der koude luchtstreek zal dit be-
vestigen; en wie kent niet het dunne haar van den aap, den olifant, den tijger,
den leeuw, enz.?
Beschouwen wij nu nog met weinige woorden wat te dezen aanzien voor hoo-
rnen en planten is gedaan! Behalve dat de bast der boomen zeer poreus en dus
een slechte warmtegeleider is, zoo draagt ook de rigting der houtvezels veel er
toe bij, dat de verstijvende winterkoude de inwendige sappen dier gewassen niet
tot ijs kan doen stollen. Snijdt, om u van dit laatste te overtuigen, een stukje
hout zóó, dat de houtvezels zich in de lengte uitstrekken, en een ander, waarin
deze dwars liggen; verwarmt beiden aan het eene einde evenveel, zoo zult gij
ontwaren, dat bij het eerste de warmte veel eerder in het stokje is verspreid dan
hij het laatste; het eerste geleidde derhalve de warmte spoediger. Door deze
eigenschap van het hout worden de boomen bij invallende vorst langzamerhand
en niet plotseling verkoeld; terwijl bij de terugkeering der warmte, ook de ver-
warming van lieverlede plaats grijpt.
De aarde geleidt eveneens, zoo als \Toeger reeds gezegd is, de warmte zeer
traag; en hoeveel dit vermag op de bescherming van de teedere wortels der
planten tegen de koude van den winter, is duidelijk. Daarbij komt in den winter,
als een verwarmend kleed, de sneeuwbeilekking, waaronder niet zelden menige
bloem ontluikt en de zaadkorrel ontkiemt; terwijl het ijs de vloeibaarheid van
rivieren en stroomen onderhoudt.
Wy hebben tot hiertoe by de overweging van de mededeeling der warmte van
het eene ligchaam aan het andere, hoofdzakelijk de ligchAnen beschouwd als
met elkander in aanraking zijnde. Maar de ondervinding leert, dat de aanraking
volstrekt geen vereischte is, om aan de ligchamen, welker warmtegraad de om-
ringende ruimte overtreft, die overmaat van warmte te doen verliezen. Immers
men behoeft niet tegen den vuurhaard te staan, om de warmte er van te onder-
vinden. Meent niet, dat het de lucht is, die deze warmte van den haard naar het
ligchaam overplant; want zelfs in het luchtledige rijst een thermometer, die zich
ig op eenigen afstand van een warm ligchaam bevindt. Men noemt het afgeven en
opvangen van warmte, door van elkander verwijderde ligchamen, stralen der
warmte en de warmte-zelve stralende warmte; men spreekt dan ook in dien zin
van warmtestralen, even als men van lichtstralen spreekt.
Dat de straling der warmte m alle rigtingen even als die van het licht geschiedt,
Ijevestigt zich, zoo men een heet ligchaam, bij voorbeeld een' heet gemaakten
bal of een' kubieken bak met heet water ophangt en een' thermometer, hetzij