Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.313
ligt, dan zal de vlam als afgesneden schijnen te zijn en het papier niet in brand
geraken. Evenmin zal buskruid in de vlam eener alkohollamp dadelijk ontbran-
den, wanneer men het in een lepeltje houdt van zeer digt metaalgaas gevlochten.
Er zijn uit de kennis der verschillende warmte-geleidbaarheid van sommige
stoffen reeds rijke vruchten geplukt. Waarom toch omringt men boomen en bloe-
men des winters met stroo, alsmede de plaatsen, waar men des zomers het ijs be-
waart? Heteerste verrigt men om de warmte in boomen en planten te bewaren; het
laatste om de buitengelegene zomerwarmte van het ijs af te keeren. Om dezelfde
reden omsluit men de bewaarplaatsen van aardappelen met stroo of turf. Uit de
verschillende geleidbaarheid voor de warmte verklaart zich, waarom kleedereu
van pels of wol het ligchaam warm houden. Een aantal gelijksoortige verschijn-
selen zullen aan het einde der les onder de toepassingen vermeld worden.
Vochten en gassoorten zijn zeer slechte warmtegeleiders. Vroeger is reeds
gezegd, dat de warmte in deze beide soorten van ligchamen zich van onderen op
door strooming verspreidt. Indien men een vocht van boven verwarmt, hij voor-
beeld door op het water heete olie of wijngeest te gieten, welke laatste men dan
aansteekt en laat verbranden, zoo blijft een onder dat water gebragte thermo-
meter op dezelfde hoogte staan. Men kan ook door een reageerbuisje met water
dit verschijnsel aanschouwelijk maken, indien men het slechts onderaan tusschen
de vingers vat, en het boveneinde in eene schuine rigting in de wijngeestvlam
houdt; het water kookt in dat geval bovenaan zeer spoedig, terwijl het onderaan
niet warm wordt. Waanneer men eene gloeijende ijzeren plaat op een vat vol
water legt, zoo wordt de onderste vochtlaag, zelfs na een ruim tijdsverloop,
weinig of niet verwarmd, zooals blijkt, indien men door een gat, nabij den
bodem, eenen thermometer brengt. Indien men eene plaat van ijs onder een
glas met zeer heet water legt, zal het uren duren eer het ijs gesmolten is.
De volgende proef bewijst ook ten klaarste, dat de
mededeeling en verspreiding der warmte in vochten
meer door strooming dan door geleiding geschiedt:
Men buige eene lange glazen buis (zie fig. 304)
tot eenen regthoek om, vuile haar door den met een
kraantje voorzienen trechter met water, waarin men
een weinig barnsteenpoeder heeft gedaan. Sluit men
nu de kraan en verhit men het water aan een' der
hoeken door de wijngeestlamp, zoo loopt het water in
de rigting der pijltjes snel iu de rondte, tot het eene
gelijkmatige temperatuur heeft verkregen. Hel barn-
steen diende om dezen kringswijzen omloop zigtbaar te
maken. Dergelijke inrigting in het groot wordt wel
aangewend om vertrekken te verwarmen, (zie bladz. 4^7).
De lucht, zeiden wij, geleidt insgelijks de warmte
zeer slecht. Van daar dat ligchamen, die van alle zijden
23
Fig. 304.