Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
ÖOI
ilaarentegen de buis A al hooger en hooger uit den bak D C, zoo blyft al
weder de hoogte 'C A dezelfde; de damp vermeerdert dus eu het vocht in a ver-
mindert. Vergroot men de ruimte boven de kwikkolom zelfs nog, nadat al het
vocht verdwenen is, dau zet zich de damp in de vergroote ruimte uil, en de druk-
king neemt af volgens de wet van Mariotte.
In dit laatste geval was de ruimte niet meer met damp verzadigd, in het eerste
wel. Eene ruimte is derhalve met damp verzadigd, indien zij zooveel damp bevat, als
zij bevatten kan; dat is, — als zij onder eenen gegevenen warmtegraad bevatten kan.
Dit zal aanstonds duidelyk worden.
Men ziet zeker in, dat de warmtegraad een' zeer grooten invloed op de uil-
zettingskracht of de drukking der dampen moet hebben. Immers water kookt bij
100', en de damp evenaart dan de drukking van den dampkring, dat is van
103 pond op iedere vierkante palm, terwijl bij de gewone uitwaseming der beken,
riNieren, meren, enz. de damp slechts eene zeer zwakke drukking uitoefent.
Ti-ouwens wij zagen, dat bij zeer hooge warmtegraden de dampdrukking somtijds
de verschrikkelijkste uitbarstingen der stoomketels veroorzaakt.
Men heeft, om de drukking der dampen bij verschillende warmtegraden te
leeren kennen, het vocht, dat iu de luchtledige ruimte boven A (zie fig. 300)
begrepen is, weten le verwarmen. Daartoe wordt de buis A door eene wijdere
omringd, die van boven open en van onder met eene kurk gesloten is, door
welke dc buis A, goed sluitend heen gaat; in de wijdere buis giet men nu heet
vocht, dat de ruimte a omsluit, en merkt nu op hoe hoog de kwikkolom, die
door de dampdrukking wordt weggestooten, bij de verschillende warmtegraden
reikt; daardoor kent men dan ook de hoeveelheid drukking, die de damp by een'
zekeren warmtegraad op eene bepaalde vlakte, bij voorbeeld eene vierkante palm
of duim, uitoefent. Voor hoogere temi)eraturen gebruikte Ure eene buis, bijna
gelijk aan die, in fig. 106 bladz. 189 afgebeeld; in de ruimte d e deed hij eene
kleine hoeveelheid water, en goot verder door het opene been a 6 kwikzilver.
Vervolgens werd het deel c d door een' glazen bol met olie omringd, en deze tot
verschillende graden verhit. Een thermometer, die in deu bol reikte, gaf den
graad van warmte aan, en de rijzing van het kwik in het opene been, opgeteld bij
de hoogte van den barometerstand, bepaalde de drukking van den verhitten damp.
Ten einde de drukking der dampen voor temperaturen onder 0° te bepalen,
bragt Gay Lussac het omgebogen boveneinde van eene der buizen b (zie fig. 299)
in een bolletje met eene koude zelfstandigheid gevuld, en vergeleek denlageren
stand van het kwik in b met die in b' welke laatste dan natuurlijk van boven lucht-
ledig en dus een zuivere barometer was. Het onderzoek iu deze heeft het mogehjk
gemaakt om tafels te vervaardigen, waarin de drukking van den waterdamp van
—10' tot 500* is aangegeven. Uit deze blijkt, dat de damp van ijs of damp van O"
eene kwikkolom van ruim 5 streep in de barometerbuis naar beneden duwt, en
dus eene drukking van 0,0069 pond, dat is van 6 wigtjes en 9 korrels op eiken
vierkanten duim uitoefent; waut 5 streep in 760 streep, de gemiddelde barometer-