Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.500
deze op eeue merkwaardige wijze. Bij de beschrijving van den barometer hebben
wij aangetoond (zie bladz. 189), dat het uitzettingsvermogen der lucht grooter
wordt, naarmate de drukking vermeerdert, en zoo is het ook met alle gassoorten
gesteld; maar dit is bij de dampen zoo niet. Wanneer men door zamendrukking,
even als bij de lucht is gedaan, de spankracht der dampen tracht te vergrooten,
zoo is er een oogenblik, waarin de dampen weder drupvormig worden. Ziehier
dus eene opmerkenswaardige afwijking, eene afwijking, die het kenmerkend
onderscheid uitmaakt tusschen gassoorten en dampen. Om zich van deze eigen-
scha]) te overtuigen, neemt men eene barometerbuis A (zie fig 300) welke in
300. eenen met kwik gevulden wijdereu koker £ C op en
neder kan bewogen worden. De buis A doet men ook
bijna vol kwik, en vult de nog overige ruimte geheel
met zuiver water aan; daarna dompelt men, terwijl
men de opening met den vinger sluit, zorgende, dat er
geene lucht kan binnen treden, op nieuw de buis in den
bak BC, waardoor het vocht aanstonds tot in a klimt,
nier blijft een gedeelte drupvormig, een ander deel gaat
in damp over en drukt de kwikkolom in de buis A
merkelyk naar beneden. Heeft nu bij voorbeeld de kwik-
kolom a C boven het kwikvlak in C nog eene hoogte van
40 duim, en bedenkt men dat deze hoogte, wanneer er
boven in de buis A C eene geheele luchtledigheid ge-
vonden wierde, met andere woorden, wanneer het werk-
tuig een zuivere barometer ware, 76 duim zijn zoude,
zoo weet men, dat de spankracht van den damp gelijk
aan eene kwikkolom van 36 duim is. Drukt men nu de
buis A naar beneden in de wijdere buis B C, ten einde
alzoo de ruimte boven a kleiner te maken, zoo ziet men
dat, terwijl de ruimte boven a kleiner wordt, niettemin
de hoogte a C steeds dezelfde blijft. Bij de lucht zou dit
niet zoo zijn; de ruimte zou kleiner, maar ook het uit-
zettingsverraogen der lucht grooter worden, volgens de
wet van Mariotte, en het kwik dus dalen. Maar bij den
uit het vocht ontwikkelden damp wordt de ruimte klei-
ner, zonder dat de veerkracht van den damp vermeer-
dert, want de hoogle a C, ontstaande uit de drukking van den dampkring,
blijft dezelfde. Hoe meer men echter de buis A naar beneden drukt, hoe meer
de drupvormige hoeveelheid a vermeerdert, en alzoo heeft het kleiner maken
der ruimte slechts ten gevolge, dat een gedeelte van den damp wordt verdigt tot
water, terwijl het overige zijne spankracht behoudt.
Indien men de ruimte boven a tot de helft, een derde, een vierde, enz. brengt,
gaat ook de helft, een derde, een vierde van den damp in vocht over. Haalt men