Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.496
Fig. 298 dezer buis kan door een ander
pijpje in den hals eener kleine
retort of een fleschje a wor-
den bevestigd, waaruit de dam-
pen zich moeten ontwikkelen,
het andere einde moet de dam-
pen naar het vat leiden, waarin
men ze wil verzamelen. Om nu
de uit a opstijgende dampen
onder weg te verdikken, is er
aan elk van de beide einden der
wijdere buis nog een buisje
door de kurk gebragt. Het eene
eindigt boven aan in een trech-
tertje, het andere 6 is tweemaal
regthoekig omgebogen. Men bevestigt dit verkoelingstoestelletje zoodanig, dat
de wijde buis eene eenigzins hellende rigting verkrijgt, maar dat altijd het
bovenste eind b nog iets lager ligt dan de trechter, In deze laatste giet men koud
water, waardoor de geheele buis wordt gevuld, en dat verwarmd zijnde langs
b wegvloeit. De koude doet de uit a opstijgende dampen verdigten.
Men heeft door het vrij worden der warmte uit verdikten stoom op sommige
plaatsen gebouwen weten te verwarmen. Men doet daartoe het water in een'
grooten ketel koken, en leidt den stoom, door middel van buizen, door de
verschillende vertrekken der woonhuizen of door broeikasten of diergaarden
heen Dewijl de stoom iu die buizeu zich tot water vormt, wordt al de gebon-
dene warmte vrij, en het gevolg daarvan is, dat de buizen zeer heet worden. Laten
wij eens uitrekenen, hoedanig men het verwarmend vermogen van den stoom
zou kunnen bepalen.
Men weet, dat elk pond water, tot stoom gebragt, 550 maal de hoeveelheid
warmte afgeeft, die er noodig is, om 1 pond water 1 graad te verwarmen. Ver-
der is door proefnemingen gebleken, dat 1 pond dampkringslucht slechts 3
tiende deelen (0,3) van die hoeveelheid warm te-eenheden noodig heeft, om den
thermometer 1 graad te doen rijzen. Nu is 0,3 in 550 omtrent 1833 maal
begrepen; derhalve zal 1 pond stoom 1833 ponden lucht 1° warmte vermeerde-
ring kunnen geven. Hoeveel plaats beslaat nu wel 7833 pond lucht? Wij weten
(zie bl. 260), dat 1 kubieke el dampkringslucht weegt 1,3 pond; dit getal is in
1833 begrepen ruim I4OO maal, dus neemt 7833 pond lucht eene plaats vau
1400 kubieke el in, en 1 pond stoom zal dien ten gevolge bij verdikking den
warmtegraad van I4OO kub. el lucht 1° kunnen verhoogen, bf eene 10 maal
kleinere uitgebreidheid, dat is I40 kub. el, 10° in warmte kunneu doen stijgen.
Dit voorbeeld is daarom aangehaald, om van de wijze vau berekening te dezen
aanzien een denkbeeld te geven en te toonen, hoe men de genoemde eigenschappen