Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.493
In de 35' les is gespok en van dc koude, die door verdamping konde te weeg ge*
bragt worden, en tevens gezegd, dat de oorzaak daarvan in de aanmerkelijke
hoeveelheid warmte te vinden was, die de damp in zich legt en daartoe van de
omringende ligchamen ontleent Het is hier de plaats, om aangaande deze ge-
bondene warmte nog het een en ander in het midden te hrengen.
Dat de thermometer in kokend water steeds op 100' hlijft slaan, is reeds even
als bij het smelten bewijs genoeg, dat de stoom warmte in zich bindt. Hoezeer
men ook het vuur moge aanzetten, men maakt er het water niet heeter door,
maar al de aangevoerde warmte dient slechts om het water van 100' in stoom
van 100' te doen overgaan.
Laat 1 pond water tot kookhitte en dus tot 100* gebragt worden; vermengt dit
met 1 pond water van O graden en het mengsel heeft omtrent 50' warmte, zoo
als de thermometer aanwijst. Dat wij nu eens stoom van 100* met water van O'
vermengen, en zien, wat hiervan het gevolg zal zijn.
Daartoe dient eene glazen retort of kolf a met water, (zie fig. 297), dat door
Fig. 297.
middel van het wijngeestlampje b
aan het koken wordt gebragt. De
dampen, die zich daaruit vormen,
leidt men door middel van de gla-
zen buis d in een cilindervormig
glazen vat c. Het val c is met wa
ter van O graden gevuld; stelt, dat
de hoeveelheid vanditkoude woter
bedraagt 11 kubieke duimen. Eerst
na het water in a eenigen tijd
heeft gekookt, dompelt men de
buis d in het vat c, en dit geschiedt
niet dadelijk, opdat men overtuigd
zoude zijn, dat het damp van 100*
warmteis,die door de buisstroomt.
De dami)en, welke nu uit a langs d in c komen, worden, zoodra zij in het koude
water treden, daarin verdigt en geven al de warmte, die zij bij haar ontstaan
verborgen, aan dit vocht af De gebondene warmte van den stoom wordt alzoo
in het koude water vrij, en dit daardoor meer en meer verwarmd. Zoodra men
ziet dat de in a gevormde dampbellen niet meer verdigt worden, maar in de vloei-
stof opklimmen en ze onverdigt weder verlaten, is dit een bewijs, dat het water
tot kokens toe verhit is.
Nu neemt men de büis d uit het vat c weg. Er was bij den aanvang van het
onderzoek in het vat c 11 kubieke duimen water vau O'; thans ziet men, dal er
13 kubieke duimen van 100' aanwezig zijn (welke hoeveelheid op de wanden van
het vat door aangebragte verdeeïing kan a%elezen worden). Er zijn alzoo 2
kubieke duimen water gewonnen. Deze twee kub, duimen water zijn in de retorl