Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.488
warmte aanvoert, 200 treedt er koude in, dewijl de smeltende stof aan de omrin-
gende stoffen de tot smelten benoodigde warmte ontneemt. Zij ontrooft dus aan
de aangrenzende ligchamen de warmte, welke-zij bindt, om zich in den toestand
van vocht te houden. ludienmen zout in water smelt, ontneemt het smeltende
ligchaam de warmte aan het water en legt die in zich vastj van daar dat het wa-
ter eenige graden in warmte daalt, indien men er een fijn zout, dat spoedig smelt,
bij voorbeeld een weinig salpeter, in werpt en door omroeren het smelten bevor-
dert. Deze koude kan zelfs een' zeer hoogen graad bereiken, wanneer de opge-
slorpte warmte aanzienlijk is en de smelting zeer spoedig plaats grijpt. Hierop
berusten de zoogenaamde koïtdmakende mengsels. Wanneer men bij voorbeeld
één deel gewoon zout en drie deelen sneeuw of gestampt ys onder elkander mengt,
zoo gaat dit mengsel weldra tot vocht over, omdat de wederkeerige aantrekking
van deze beide stoffen zoo groot is, dat zij zich gemakkelijk tot eene vloeibare
zelfstandigheid verbinden. Plaatst men in dit mengsel een' thermometer, zoo
wordt aan dezen zooveel warmte ontroofd, dat hij daardoor van O tot 17* onder O
(—17') daalt. Zoo zal men met een deel verdund zwavalzuur en 1 deel sneeuw zelfs
eene koude van —51' kunnen verkrijgen. Bij het maken dezer koude mengsels
moeten, om veel koude voort te brengen, de zouten, die men er toe gebruikt,
goed gedroogd, tot een fijn poeder gestampt zijn, en op eenmaal in een werktuig
vermengd worden, dat de warmte niet spoedig aan de omringende voorwerpen
ontneemt, zooals bij voorbeeld in houten bakken, die in sneeuw en keukenzout
geplaatst zijn.
Fig. 295 stelt een' eenvoudigen, gemakkelijk en goedkoop te vervaardigen
Fig. 295.
ijsioesiel op -J zijner grootte voor: het is die van
Courdemanche. A en B verbeelden twee blikken
emmertjes, het eerste van een hendel d voorzien,
het laatste hangende op de randen van het eerste,
door middel van drie er aan bevestigde blikken
strooken c c. Het emmertje B is gesloten door
een diep blikken deksel a a, dat met eene slecht
geleidende stof is gevuld, aan den onderkant eene
cilindervormige uitholing n en boven aan eene
opening i bevat. Onder tegen het deksel is een
ijzerdraad r gesoldeerd, waaraan door middef van
een oogje een langwerpig plat, eenigzins wig-
vormig geelkoperen bakje C kan worden opge-
hangen. De opening t kan door het dekseltje 6
worden gesloten. De ruimte, die het binnenste
emmertje B van A open laat, vult men'met wat-
ten of boomwol op, om de buitenwarmte af te
sluiten. In B doet men een mengsel, bestaande uit 500 gewiglsdeelen zwavel-
zuur 333 deelen water en IO4O deelen glauberzout of zwavelzure soda. Het