Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.485
warmte konde beschikken. Eenige stoffen zijn ligt smeltbaar, bij voorbeeld ijs,
phosphorus, zwavel, was, vet enz ; andere behoeven eenen aanmerkelijken warmte-
graad alstin, lood enz.; weder andere hebben eenen zeer hoogen graad van warmte
noodig, bij voorbeeld goud, ijzer, platina. In den laatsten tijd is het Desprets zelfs
mogen gelukken om kool, die men nog altijd voor onsmeltbaar hield, door de hitte
van 600 galvanische cellen te vervlugtigen en tc smelten. Reeds vroeger meende
men aan den diamant of zuivere koolslof sporen van smelting te hebben gezien.
Bij eenige ligchamen gelukt het niet hen te doen smelten, omdat zij, alvorens
vloeibaar te worden, door den invloed der warmte eene scheikundige verdeeïing
of verandering ondergaan, zooals de meeste voortbrengselen uit het planten- of
dierenrijk eu eenige uit het delfstoffenrijk. Deze gaan meest allen tot verschil-
lende gassoorten over, eu laten de koolstof achter; hiertoe behooren wol, vlas,
hout, vleesch, beenderen, enz. Echter heeft Hall bewezen, dat vele dezer stoffen
gesmolten kunnen worden, indien men ze gedurende de verhitting aan zulk eene
sterke drukking onderwerpt, dat de vlugtige deelen niet ontwijken kunnen. Het
was hem gelukt marmer en eenige vulkanische voortbrengselen te smelten. Wij za-
gen vroeger wat zulk eene sterke drukking in den papiniaanschenpot te weeg bragt.
Het eerste wat bij het smelten onze aandacht verdient is, dat sommige stoffen
door het opnemen der warmte eerst week worden, zooals pek, lijm, ijzer, glas,
enz., andere daarentegen plotseling in vocht overgaan, zooals ijs, en weder
andere, zooals ik zoo even reeds aanmerkte, dadelijk gasvormig worden, bij
voorbeeld kamfer.
Verder merken wij op: 1' dat het ligchaam vast blijft tot op eenen bepaalden
warmtegraad, die bij dezelfde stof altijd onveranderlijk is en waarbij alleen het
smelten beginnen kan; dezen warmtegraad noemt mende smelthitte of het smeltpunt.
2° dat gedurende het smelten de temperatuur dezelfde blijfl, hoeveel warmte er ook
nog in het ligchaam dringen moge.
De volgende proeven dienen, om deze waarheden te bevestigen.
Men doe in een vat 1 pond water van 79'warmte; en in een ander 1 pond,
dat tot O' is verkoeld. Beide hoeveelheden mengt men onder elkander en onder-
zoekt daarna met den thermometer den warmtegraad van het mengsel. Deze
bevindt men juist de helft te zijn, dat is 39,5'. Men rigte nu de proef anders in.
Men doe in een vat weder 1 pond water van 79' en in ecu ander 1 pond sneeuw of
gestooten ijs van O', Nu doet men het ijs inhet warme water, en weldra is het meng-
sel tot 2 pond water overgegaan: het warme water heeft de sneeuw gesmolten.
Thans heeft die 2 pond water niet weder de helft van 79' warmte. — De ther-
mometer, dien wij in het mengsel hebben gebragt, wijst O graden aan. Nemen
wij nu, zooals men gewoon is te doen, tot maat der menigte warmte als eenheid
en dus als warmte-eenheid aau, de hoeveelheid warmte, die er noodig is om de
temperatuur van 1 pond water 1 graad te verhoogen, dan zien wij door de genomene
proef, dat de 79 warmtecenheden, die het warme water bezat, onkenbaar zijn
geworden; dat het uit het ijs ontstane water al deze warmtecenheden onder het