Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.483
ming der vloeistof; daarover zal later nog het een en ander merkwaardigs
worden gezegd.
Toepassingen.
Het is eene bekende waarneming, dat niet zelden ligchamen, die bij eenen
hoogen warmtegraad goed aaneen verbonden zijn, bij sterke en plotselinge af-
koeling springen of barsten, bij voorbeeld heete ijzeren platen, waartegen of
waarop koud water wordt gegoten; wat kan daarvan de reden zijn?
Waarom springt een glas, wanneer er plotseling heet water in gegoten wordt;
en waarom doet dit een dik glas eer dan dunne glazen ?
Waarom barst dikwerf een lampeglas, wanneer men met de brandende lamp
buiten de kamer in den togt komen.
Wanneer men druppels gesmolten glas in koud water laat vallen, noemt men
die plotseling afgekoelde, peervormige, van een' langen glazen draad voorziene
stukjes glas, glastranen. Indien men van den draad een klein gedeelte afbreekt,
valt de geheele massa onder een' sterken knal plotseling in gruis. Waarom ge-
beurt dit?
Wanneer men met eene rood gloeijende staaf over een vlak glas trekt, kan men
dit even als met een' diamant snijden; wat is hiervan de reden?
Waarom vullen tinnen lepels, borden, enz. na de afkoeling den vorm niet
meer geheel aan, waarin zij worden gegoten ?
Waardoor ontstaan er dikwijls scheuren in voorwerpen, die uit klei, leem of
meeldeeg zijn vervaardigd ?
Waarom moet men bij het gieten van metalen klokken en kanonnen den vorm
iets grooter nemen, opdat de klok en het kanon de vereischte afmetingen zullen
hebben (N.B. Bij kanonmetaal neemt men daartoe gewoonlijk xiv ttt
de uitgebreidheid, die het moet verkrijgen.
Waarom zullen enkele ligchamen, die op koud water drijven, in heet water
zinken ?
Waarom drijft vast gietijzer op het gesmolten metaal ?
Waarom behooren buizen, door welke stoom moet geleid worden, ten einde
daardoor eenige vertrekken te verwarmen, uit stukken te bestaan, die in en
uit elkander kunnen schuiven?
Waarom behooren kettingen van ijzeren hangbruggen zich over rollen heen
en weder te kunnen bewegen ?
Waardoor kunnen ijzeren ankers, die tot stevigheid der muren in deze beves-
vestigd zijn, dikwijls los worden?
Waarom sluit eene deur in een ijzer hekwerk nu eens gemakkelijk en dan we-
der moeijelijk? Wanneer zal het eerste, wanneer het laatste plaats grijpen?
Waarom schijnen hout, papier, klei en andere zoodanige vocht inhoudende
zelfstandigheden eene uitzoudering te maken op het uitzettingsvermogen der
warmte ?