Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.476
dus niet veranderen zaJ. Men drukt dit aldus uit: de kracht met welke zich de
ligchamen tntzetten is gelijk aan den tegenstand, dien zij doen kennen, wanneet men
ze evenveel wil zamendntkketx. En evenzeer is het ook iu een tegenovergesteld ge-
N al waar, dat de kracht, waarmede de ligchamen hij verkoeling inkrimpen, gelijk is
aan den tegenstand, dien zij aan eene kracht bieden, welke hen wil uitrekken.
Deze beide waarheden verdienen vooral gekend te worden. Het is namelijk
van belang, om op alle plaatsen, waar in werktuigen of gebouwen lange buizen
of staven aan elkander verbonden zijn, b.v. in uitgebreide fabrijken, aan de ein-
den der verschillende, stukken die de staaf of buis uitmaken, eenige speelruhnie te
geven. Bij ijzeren buizen, door welke gas of stoom geleid wordt, behoort dus daar,
waar zij gelascht zijn, eenige ruimte over te blijven. Daarom laat men bij het aan-
leggen van gasbuizen de einden der pijpen zeer ruim in elkander sluiten, en slaat
de tusschenruimten met strooken lood of soldeersel digt. Het gebeurde eens,
dat iemand eene lange, onbewegelijke buis door eene groote fabrijkleidde,en haar
van verscheidene zijdelingsche armen voorzag, ten einde alzoo de fabrijk door
stoom te verwarmen; doch kort daarna scheurde de groote pijp zich van al de zij-
takken los Ook bij het plaatsen der staven of scheenen op de spoorwegen is
deze opmerking van belang. De yzeren kokers van de kokerbrug over de Menai
(zie bladz. 144) rusten daarom op rollen; zij ondergaan op hunne geheele leng-
te, die ruim 4^0 el bedraagt, eeue verlenging van 3 palm, wanneer zij van de
laagste temperatuur, die zij gemiddeld in den dampkring verkrijgen, tot de ge-
middelde hoogste overgaan
Be uitzetting der onveêrkrachtige vloeistoffen is niet gemakkelijk aan te wijzen,
want wanneer de warmtegraad eener zekere vloeistof wordt verhoogd en daar-
door hare uitgebreidheid vermeerderd, zet zich het vat, waarin die vloeistof
bpgre])en is, insgelijks uit, en het zal dus meer kunnen inhouden dan vroeger.
Hieruit vloeit voort, dat men de wezentlijke of volstrekte (absolute) uitzetting
der vochten, de vermeerdering iu volume dus, die zij zullen verkrijgen, indien
het vat zich niet uitzette, wel behoort te ouderscheiden van de schijnbare uit-
zetting. Be volstrekte uitzetting verkrijgt men, wanneer men bij de schijnbare uit-
zetting optelt de ligchamelijke uitzetting van het vat, waarin de stof begrepen is. Dit
is uit zich zelve duidelijk.
Het middel door Gay Lussac medegedeeld, om de schijnbare uitzetting der c- •
veerkrachtige vloeistoffen te bepalen, bestaat in een glazen
vat (zie fig. 292), waarvan de hals op eene plaats a zeer
naauw is zamengedrukt, zoodat er eene soort van trechter
b boven opstaat. Dit enge deel a heeft ergens een streepje
of mex^kje.
Met eene zeer goede balans onderzoekt men eerst hoe
zwaar het ledige vat is, vult het daarna zoover met de
vloeistof, welker uitzetting men wil kennen, tot deze bo-
ven het punt a, tot zelfs in den trechter staat, verkoelt
Fig 292