Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.475
Het spreekt van zelf, dat er bij de uitzetting van drup- en gasvormige ligchamen
alleen van ligchamelijke uitzetting sprake kan zijn.
Meu heeft bevonden, dat de uit de hieronder staande stoffen zamengestelde
ligchamen, wanneer hunne lengte in 100000 deelen verdeeld wordt, zich op de
volgende wijze uitzetten.
Glas . . , 83 van die deelen. Zilver . . 190 van die deelen.
Platina . . 86 « . Messing 190 « « «
Staal. . . 116 . . - Tin . . . 220 . - •
IJzer . . 122 - . Lood . . 286 - »
Goud . . 150 . - Geplet zink. 333 - . -
Koper . . 170 « . ^
Wil men nu bij voorbeeld door dit tafeltje berekenen , hoe lang eene ijzeren el
bij 100' warmte zijn zal, die bij O' warmte juist hare lengte heeft en dus 1000
strepen lang is, dau verkrijgt men de navolgende evenredigheid :
100000 : 1000 = 122: x.
en wij verkrijgen dus 1,22 streep ; zoodat zulk eene el bij 100' warmte 1,00122
el lengte zal verkregen hebben. Men kan om den uitzettings-coëfficiënt van de
bovenstaande stoffen in eene gewone breuk uit te drukken, waarvan de teller
één is, onderzoeken, welkdeel de getallen 83, 86, 116 enz. van 100000 zijn; die
uitkomst maakt de noemer uit. De uitzetting is tusschen O en 100' aan de
temperatuur evenredig.
Verder is zij bij ligchamen van eene regelmatige zamenstelling in alle rigtin-
gen gelijkvormig. Maar bij kristallen, waar de inwendige gesteldheid medebrengt,
dat de elasticiteit niet in alle rigtingen even groot is, is dit zoo niet Mitscher-
lich heeft ontdekt, dat alle kristallen, welke niet tot regelmatige stelsels
behooren, en optisch één-assig zijn, in de rigting dier as zich in eene andere,
verhouding uitzetten dau in elke andere rigting, en die, welke twecassig zijn,
eveneens in de rigting dier assen een ongelijk uitzettingsvermogen uiten.
Dat de bekendheid met de uitzettingsgetallen nuttig zijn kan, heeft de beschrij-
ving der compensatie-slingers geleerd.
Op bladz. 21 vermeldden wij, op welk eene wijze men eenmaal de uitzetting
der metalen tot beweegkracht heeft aangewend. Vele voorbeelden van dezen
aard zijn er niet voorhanden. De kracht, waarmede de ligchamen zich uitzetten,
is intusschen zeer aanzienlijk. Stelt eens, ik moet 1000 pond gewigt boven op
den top eener loodregt staande ijzeren staaf leggen, om haar zooveel zamen te
drukken, als zij bij vermindering van l' temperatuur zamenkrimpt, zoo is het
duidelijk dat, wanneer men die staaf met 1000 pond bezwaart, en haar alsdan V
verwarmt, de uitzetting te weeg gebragt door de warmte, en de zamendrukking
veroorzaakt door den last, elkander zullen vernietigen, en dat de lengte der staaf