Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
47B
zetting van de temperatuur afhangt. Thans moeten wij in meer hijzonderheden
aangaande dit verschijnsel treden.
Wij hehhen geleerd, dat de vaste ligchamen zich zeer weinig, de vloeibare meer,
cn de gasvormige zich zeer aanzienlijk door de warmte uitzetten. Men verklaart dit
op de volgende wijze.
Dewijl de wanntealtijd werkzaam is, om de ligchamen uit te zetten, en alzoo
de moleculen van elkander te verwijderen, zoo werkt zij klaarblijkelijk de kracht
van zamenhang (cohesie) tegen. Nu is de cohesie hij vaste ligchamen het sterk-
ste ; de warmtestof heeft dus hij deze deu meesten tegenstand te overwinnen, en
de uitzetting zal daar dus veel geringer moeten zijn dan bij drupvormige vloei-
stoffen, bij welke toch de cohesie zoo sterk niet is; en dat de lucht en de gas-
soorten zich het meest van allen zullen uitzetten, volgt uit hare zeer weinige, ja
bijna geheel ontbrekende kracht van zamenhang. TJit dit eenen ander besluiten
wij vooreerst dat, daar de cohesie bij alle vaste ligchamen niet even groot is,
ook de uitzetting van vaste ligchamen, die in soort verschillen, niet even groot kan zijn.
Voorts trekken wij er dit gevolg uit: bij hooge warmtegraden ziju de deelen der
vaste ligchamen door de warmte reeds verder van elkander verwijderd dan bij
lage warmtegraden; de kracht van zamenhang kan dus bij sterk verhitte en reeds
uitgezette ligchamen niet zoo groot zijn, als in geval deze eenen lagen graad van
warmte bezitten: het zal dus, om zoo te zeggen, de warmtestof in het eerste
geval steeds gemakkelijker vallen, om de deelen vaneen te stooten. Ziedaar zoo-
vele waarheden, die ons tot het volgende besluit brengen : bij dezelfde vermeer-
dering van den warmtegraad zullen dezelfde vaste ligchamen bij eene hooge tempera-
tuur meer uitzetten dan bij eene lage.
Dit een en ander wordt door de ondervinding bevestigd ; proefnemingen stel-
den de gemaakte besluiten buiten twijfel.
Door onvermoeide nasporingen hebben de geleerden, onder welke vooral La-
voisier, Laplace, Smeaton, Dulong en Petit verdienen genoemd te worden, weten
te bepalen, hoe groot de uitzetting vau onderscheidene stoffen is, wanneer zij
van O' tot 100' C. verhit worden. Men noemt het getal, dat aanwijst, welk ge-
deelte van zijne lengte bij O' zich een ligchaam uitzet, dat tot 100' verwarmd
wordt, het uitzettings getal of den uitzettingscoëfficiënt Indien men bij voorbeeld
eene ijzeren staaf, die bij O' C. eene lengte van 2 el heeft, tot op 100° verhit,
wordt zij 2 el 2,4 streep lang. De staaf is dus 2,4 streep in lengte uitgezet;
dat is derhalve het ïAffTrO^TsW ^Ü"» ^^^ van hare lengte bij O'. Deze
breuk is bij gevolg het uitzettingsgetal voor het ijzer.
Daar de uitzetting bij vaste ligchamen zeer gering is, heeft men op eene ver-
nuftige wijze die beweging op hefboomen weten over te planten, om haar alzoo te
vergrooten. Onder de vele inrigtingen van dezen aard vermelden wij slechts die
van Lavoiiier en Laplace.
Verbeeldt u dat bb* (zie fig. 291) eene stang is, gemaakt van de stof, welker
uitzetting men wil onderzoeken. Deze slang rust met het eene einde 6' tegen
21"