Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.463
van temperatuur, niet sneller in uitgebreidheid toeneemt, dan bij eenen lagen
graad van warmte, hetgeen bij alcohol minder het geval is; eeu verschijnsel, dat
wij later meer uitvoerig zullen waarnemen; 4* omdat het kwikzilver eenen sterken
graad van koude kan weêrstaan, zonder dat het bevriest, en eenen Aoo^cn graad
van warmte, alvorens het kookt of gasvormig wordt, terwijl bij alcohol dit laatste
al zeer spoedig plaats grijpt; 5' omdat kwikzilver onder alle drupvormige vloei*
stoffen het zuiverste in de natuur voorhanden is.
Daar dit metaal, zooals het in deu handel voorkomt, echter altijd door
vreemde metalen als lood, bismuth, enz. verontreinigd is, moet het dus eerst
van deze bestanddeelen door overhaling of door zwavelzuur gezuiverd worden.
Om den bol te vullen, verhit men eerst de buis zoowel als den bol, en zoodra
de lucht, die er in is, behoorlijk is verdund, steekt men het opene einde in een
met kwikzilver gevuld vat «(fig- 280). Men laat de buis en de daarin nog begre-
pene lucht alzoo weder verkoelen, en nu stijgt het kwik-
zilver weldra tot den bol b er in op. Nu keert men 3e
buis weder om, ten einde den bol op nieuw te verhit-
ten, en wel zoolang, tot de vloeistof begint te koken.
De kwilzil verdamp vult weldra de geheele ruimte der buis,
en drijft er de lucht-en vochtdeelen geheel uit. Ander-
maal dompelt men het einde in den kwikbak, en laat
den bol zich nu zoo verre met kwikzilver aanvullen tot
men de hoeveelheid groot genoeg schat, om eene uit-
zetting tc kunnen ondergaan, die het werktuig aan het
oogmerk kan doen beantwoorden. Nogmaals verhit men
den bol en de buis, in hare geheele lengte, over gloei-
jende houtskolen, en zoodra er zich aan het opene einde
eenige kwikdroppels vertoonen, smelt men spoedig tle
buis door middel der soldccrlamp digt. Het werktuig is nu reeds geschikt, om te
zien of een zekere warmtegraad toe- of afneemt, of op dezelfde hoogte blijft, want
dit wordt kenbaar door het rijzen, dalen of onveranderd blijven der kwikkolom.
Hoewel nu zulk een werktuig in vele zaken reeds nuttig zijn kan, zoo wordt
het nog veel nuttiger, wanneer men in staat is om den graad der warmte, door
middel van zekere verdeeling, die er op den weg, welken de top der kwikkolora
in de buis doorloopt, door algemeen bekende getallen uit te drukken. Dit heeft
men dan ook werkelijk tot stand gebragt, en het daardoor mogelijk gemaakt, om
alle aanwijzingen van warmtegraden aan verschillende plaatsen met elkander te
kunnen vergelijken.
Men heeft tot verkrijging van zulk eene temperatuurschaal twee vaste punten
aangenomen, van waar de verdeeïing uitging, normaalpunten genoemd. Deze
verkrijgt men door de buis eerst in smeltend ijs te dompelen, en door haar
daarna in stoom (tot damp overgegaan water) te plaatsen.
Om het eerste punt te kunnen aanteekenen, omringt men den bol zoowel als