Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.461
binnen treedt; ik vind bet hier vrij koud, zegt B, terwijl hij eene zeer warme
kamer met de bovengenoemde verwisselt; en ik vind het hier noch koud, noch
warm zegt C, die de kamer niet heeft verlaten. Op deze wijze kunnen wij dus
den graad der warmte slechts vergelijkenderwijze beoordeelen; en dat bet even
zoo met de koude, waardoor men een' geringen graad van warmte verstaat,
gesteld is, hiervan levert het bovenstaande een bewijs. In de natuurkunde ech-
ter duidt men door het woord warmte bijna altijd aan de oorzaak, waardoor
het door ondervinding bekende gevoel van warmte wordt ie weeg gebragt, In welke
dezer beteekenissen men het woord warmte te verstaan hebbe, zal uit den zin,
waarin het voorkomt, duidelijk genoeg zijn.
Men stelt zich gewoonlijk de warmte voor als eene uiterst fijne vloeistof,
die in alle ligchamen in meerdere of mindere mate aanwezig is, en die zich
Tan het eene aan het andere kan mededeelen. In dezen zin spreekt men dus
van warmtestof. Men heeft reeds vele gissingen aangaande de natuur of het
wezen der warmte geopperd. Eene der nieuwste hypothesen zegt, dat de oorzaak
der warmte-verschijnselen eene trillende beweging der etherdeelen is, welke
trillingen echter van die bij het licht door slingerings-tijd en golflengte onder-
scheiden zijn. Wij zullen altijd nog het gebruikelijke woord warmtestof bezigen.
Het is iets opmerkelijks, en dit zou ons bijna aan de stoffelijkheid der warmte
doen twijfelen, dat men de warmtestof nooit alleen op zich zelve, nooit o/ron-
derlijk kan verkrijgen, maar dat wij haar slechts met andere ligchamen kunnen
opvangen, en dat zij het gewigt van deze in geen geval vermeerdert. Een kogel
ran een pond zal, tot gloeijens toe verhit zijnde, niets in gewigt toenemen,
Mogt het gewigt eens ligchaams door verwarming veranderd zijn, het is dan
toe te schrijven aan het verlies van vocht of lucht, die het bevatte, of daaraan,
dat het na de verwarming in uitgebreidheid is toegenomen, waardoor het meer
van zijn gewigt in de lucht moet verliezen. Wanneer men door een groot, krach-
tig werkend brandglas de stralen der zon vereenigt, en ze op de schaal eener
zeer gevoelige balans laat vallen, zoo zal de balans niet het minste uit hare
evenwigtsstelling geraken. Het is te dier oorzake, het is, omdat wij aan de
warmte geene der eigenschappen kunnen toekennen van de weegbare stof, dat
men ook haar onder de onweegbare zelfstandigheden beeft gerangschikt.
De ligchamen kunnen op twee verschillende wijzen warm gemaakt worden.
De kop eener tabakspijp is warm, omdat zij met een ander ligchaam, dat warm
is, in aanraking kwam. Een ligchaam, op eenigen afstand eener warmtebron
geplaatst, wordt warm. en dus zonder aanraking van de warmere stof. Een stukje
®|metaal wordt warm, wanneer men het sterk over de tafel wrijft. Het metaal was
evenwel met geen ander warm ligchaam in aanraking. In het eerste geval ont-
stond er warmte door mededeeling, in het tweede door uitstraling en in het derde
door opwekking. Ieder dezer verschijnselen vordert eene nadere overweging. Be-
schouwen wij vooraf de moleculaire werking der warmte in de ligchamen.