Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.460
deelte de Newa van hare ijshedekking, om er hunne kelders mede te voorzien,
en gedurende den zomer tusschen dat ijs hunne eetwaren in onbedorven staat
te kunnen houden.
Het merkwaardigste bewijs voor het bederfwerend vermogen der koude is
de ontdekking van eeii' Mammoeth (eene zeer groote, thans uitgestorvene soort
van olifanten) in den zomer van 1799, aan den linker oever van de Lena in
Noordehjk-Siherië. Dit kolossale dier was rondom met ijs omringd, en men wist
eerst niet, wat deze ijsklomp hield ingsloten. ïn 1804'was het zoo verre van
gs ontdaan, dat de bewoners dier streken zgiie slagtanden afzagen, het vleesch
aan hunne honden toewerpen, en de beeren, wolven en andere dieren ep jagt
op maken konden. In 1807 werd er de Petersburgsche natuuronderzoeker
Adams mede bekend. Hij trok heen naar de plaats, waar de reusachtige bewo-
ner eener vroegere wereld zich ophield; doch vond hem reeds schier geheel van
vleesch ontdaan. Hij ontleedde het dier en zond het geraamte, zorgvuldig inge-
pakt, naar Petersburg, alwaar het thans nog in het museum bewaard wordt.
De Mammoeth had eene hoogte van bijna 3 en eene lengte van ongeveer 5 el;
zijne slagtanden waren elk omtrent 3 el lang; drie vierde deelen van de huid
waren nog onbeschadigd gebleven, en er was 10 man npodig om deze weg te
dragen. Ziedaar een bewijs, dat alleen de koude der noordpool in staat is ge*
weest dit dier voor bederf te bewaren, gedurende een tijdsverloop van zeker
niet minder dan zoovele duizenden jaren als er sedert de schepping van het
eerste menschenpaar verloopen zijn.
Beschouwen wij het vermogen, dat de warmte ontwikkelt daar, waar zij zich
als vuur vertoont, dan geraken wij door hare magt als opgetogen; hetzij
wij haar zien in hare weldadige uitwerking bij het koken en de verwar-
ming of verlichting onzer vertrekken, hetzij in hare vreeselgke krachtsont-
wikkeling, wanneer zij alles verslindend om zich grijpt, en het werk van
eeuwen binnen enkele uren in asch legt, of de ingewanden der aarde doorwoelt
en asch en gloeijende steenbrokken ten hemel werpt, of dood en vernieling
ademt, wanneer zij het lood uit het geschut drijft. Doch genoeg, om te erken-
nen, dat de warmte hei leven van het heelal mag genoemd worden.
Maar wat is warmte? Zonder dat men hiervan eene voldoende bepaling kan
geven, is het toch bekend, dat men door dit woord die gewaarwording uitdrukt,
welke ons ligchaam ondervindt, indien wij tot een vuur of eene heete stof
naderen of deze aanraken. In dezen zin echter is ons oordeel over warmte en
koude altijd betrekkelijk. Waimeer men drie kannen naast elkander plaatst,
de eerste met koud, de tweedenet laauw en de derde met tamelijk heet water
gevuld, en iemand steekt de hand in hel koude, een ander de zijne in het zeer
warme water, zoo zal de eerste, indien hij de hand kort daarna uit het koude
in het laauwe water brengt, dit zeer warm vinden, terwijl de laatste de zijne
uit het heete in het laauwe water duwende, het koud zal noemen. Het is hier
zeer warm zegt A, die van buiten uit de koude de matig verwarmde kamer