Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
45S
streek gelegen, in het genot eener veel grootere warmte zijn zullen. En welk
eene uitwerking heeft dat verschil in warmte op de geheelen natuur? —
Iu de koude poolgewesten bedekt eeuwig ijs land en zee. Ijsbergen van eene
schrikbarende hoogte verheffen zich boven de doodsche vlakte. Geene verschei-
denheid van planten en dieren geeft aan deze oorden leven of beweging. De
weinige planten, die men nog nabij de grenzen der gematigde luchtstreek vindt,
zyn klein en in eene geringe mate ontwikkeld, en verblijden het oog niet door
een vrolijk groen; want het ontbreekt haar, behalve aan warmte, aan het be-
noodigde vocht. De vogelen en viervoetige dieren zijn evenmin talrijk, en de
eerslen verheugen ons noch door hunne levendige kleuren, noch door hun be-
koorlijk gezang- De mensch, wien in deze barre oorden eene verblijfplaats is
aangewezen, bereikt er slechts eene lengte van 13 tot I4 palm, zijn mager
ligchaam moet in uitwendige schoonheid verre bij de bewoners der meer warme
aardstreken achter staan en zyne geestvermogens zijn weinig ontwikkeld.
Begeven wy ons van deze doodsche landen door de gematigde luchtstreek
naar den heeten aardgordel, zoo boeit de met de warmte steeds toenemende
verscheidenheid van dieren en planten onze aandacht. In de heete luchtstreek
eindelijk is de natuur in hare volle kracht. Reusachtige boomen, waarvan één
blad genoegzaam is, om eene geheele hut te bedekken, insekten en vogelen,
die door hunne kleurenpracht het oog verblinden, groote, schoongevormde,
buitengewoon krachtige dieren, de prachtigste natuurtooncelen, door een eeu-
wigdurend groen, door bloemen van eene onovertreffchjke schoonheid en bui-
tengewone grootte, en door de heerlijkste geuren der specerijen opgeluisterd,
dit alles schijnt om het zeerst Gods grootheid en magt ten toon te willen sprei-
ilen. Geen wonder waarlijk, dat de Ouden aan de zon goddelijke eer bewezen.
En dat van deze zoo buitengewoon verschillende verschijnselen werkelijk de
warmte de voorname oorzaak is, wordt buiten twijfel gesteld, wanneer men
bedenkt, dat de plantenaardc, waarin de gewassen wortel schieten, bijna over
de geheele aarde niet zeer veel verschil oplevert, en dat voortdurend in de
koude luchtstreek overblijfselen van planten en dieren worden opgedolven , die
thans slechts in de heete luchtstreek leven, en welker bestaan derhalve aldaar
heeft opgehouden, toen de warmte aan deze streken werd onttrokken.
Dit brengt ons van zelf tot vermelding van den onmiskenbaren invloed, die
de warmte heeft op de ontbinding, dus op de geheele verandering van delfstof-
felijke, dierlijke en plantaardige zelfstandigheden. Hiervan is reeds veel gezegd
bij de behandeling der scheikundige aantrekking. Maar er valt te dezen aanzien
dagelijks veel onder onze oogen voor. Hoe Jangen tijd toch blijven vleesch,
visch en andere spyzen in den winter onbedorven, en hoe spoedig gaan zij in
den zomer niet tot verrotting over. Visch en vleesch hangen de Laplanders in
de opene lucht, en houden het zoo maanden lang zuiver. In de heete luchtstreek
hebben deze stoffen in de eerste 24 uren reeds een begin gemaakt met hare
ontbinding. De bewoners "^an Petersburg berooven des winters voor een ge-