Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
45S
ZEVENDE XFDËELING.
DE WARMTE.
ACHT EN VIJFTIGSTE LES.
Over de warmte ia het algemeen.
Indien men zich herinnert, wat er aangaande de uitzetting der ligchamen, de
dampvorming, de stoomwerktuigen, de gassoorten en het ontstaan der lucht-
stroomen of winden is gezegd, zal men de warmte niet alleen beschouwen als
de oorzaak van ontelbare genoegens, die zich dagelijks voor ons in het leven
opdoen, maar ook als onmisbaar voor de voortduring van ons bestaan.
Let men op de hoofdoorzaak, de voornaamste bron der warmte, op de zon,
zoo leert men haren veel vermogenden invloed nog overtuigender inzien. De
herleving, waarin bij het aanbreken van de lente de geheele natuur deelt, de
krachtvolle ontwikkeling, die kruiden, planten en vruchten in den zomer ont-
vangen, kent men als zoovele uitwerkselen van dezelfde oorzaak, van de warmte.
Nog meer echter straalt hare bezielende magt door, als wij hare verdeeling over
de oppervlakte der aarde en hetgeen zij daarop te weeg brengt in oogenschouw
nemen.
De aarde verandert, door hare beweging om de zon en de onveranderlijke
rigting harer as in de ruimte, gestadig hare stelling met betrekking tot dat
hemellicht: zij keert gedurende hare omwenteling bestendig andere deelen harer
oppervlakte in dier voege naar de zon, dat deze aarddeelen de zonnestralen lood-
regt ontvangen. Het is bekend, dat de oorden, aan welke die loodregte bestra-
ling te beurt valt, niet over den ganschen aardbol verspreid liggen, maar op
een' gordel worden gevonden, die juist tusschen de beide polen ligt, zoodat die
plaatsen besloten zyn tusschen de beide keerkringen, terwijl al de overige dee-
len van de oppervlakte der aarde in eene min of meer sehmne rigting door de
zonnestralen worden getroffen, De bovengenoemde, tusschen de beide keerkrin-
gen begrepene, aardgordel wordt de heete luchtstreek genoemd; het gedeelte der
aarde, liggende tusschen dc keerkringen eu de poolcirkels, draagt den naam van
gematigde, en dat, tusschen de poolcirkels en de polen, van koude luchtstreek.
Dat de genoemde verschillende aardgordels door de zonnestralen in zeer ver-
schillenden graad verwarmd worden, duiden de namen, die men hun heeft toe-
gekend, reeds aan. En dat verschil is uit zich zelf natuurlijk: immers daar,
waar de zonnestralen in eene zeer schuine rigting vallen, b. v. op de plaatsen,
begrepen tusschen de poolcirkels en polen, gaat een groot gedeelte der warmte,
die zij aanvoeren of opwekken, verloren, terwijl de oorden, in de heete lucht- '