Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
Fig. 259,
dat het punt rmethet punts, ofhet nulpunt
der verdeeling van den ring C, overeenkomt,
zoodat de spiegelvlakken F en A evenwijdig
gerigt zijn; nu plaatst men het werktuigje
zoo in de nabijheid des vensters, dat het dag-
licht, of nog beter het licht eener witte wolk,
in de rigting van n wi op de polariserende
glazen plaat A valt, He^ gepolariseerde licht
gaat nu in de rigting n q naar den spiegel
B, en van daar gedeeltelijk langs denzelfden
weg terug naar m, maar ook gedeeltelijk in
de rigting q np oï evenwijdig aan de as des
werktuigs naar den analyseur F, die het in
den aangewezen stand terugkaatst, zoodat
voor deu waarnemer, die in den spiegel F
ziet, de onderste spiegel verlicht is. Draait
men nu den spiegel F door den ring £ in C
rond, dan ziet men den spiegel A voortdu-
rend donkerder, dat is bet licht zwakker wor-
den, totdat eindelyk, wanneer het punt s hij
90° zich bevindt, het licht geheel uitgedoofd,
en de spiegel A zwart geworden schijnt. Zet
men de beweging voort, totr in t of op 180° is
gekomen, zoo is het licht weder even sterk
als toen het punt r bij s stond; draait men
den analyseur weder 90° verder, tot r bij
270° komt, zoo is het licht op nieuw uitge-
doofd. Gij ziet dat deze beschrijving geheel
met die, bij fig. 258 gegeven, overeen komt;
eene vergelijking der figuren 258 en 259 zal
de zaak zeer wel ophelderen.
De tegenwoordige theorie neemt, ten einde
de vermelde uitdooving des lichts te verkla-
ren, het volgende aan: m n (zie fig. 260) stelt
voor de op den polarisatie-spiegel B val-
lende lichtstraal, n q den teruggekaatsten,
daardoor gepolariseerden en door den spiegel
B (zie fig 259) onveranderd weder terugge-
kaatsten straal. De ethertrillingen nu van
den gepolariseerden straal grijpen plaats in
rigtingen, evenwijdig aan den polarisatie-
spiegel A Bj en dus in een vlak C D, dat lood-