Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
26
dun metalen staafjo ab (zie fig. 6), hangende in het midden c aan eenen zilver-
draad, en aan beide einden voorzien van een ligt metalen kogeltje («ent).
Aan iedere zijde van het staafje ab worden in de nabijheid der kleine kogels
ï'-ig. 6.
groote looden bollen d ene gebragt, ieder bijna 158 pond zwaar, hangende aan
ijzeren staven, die weder boven aan eene horizontale dwarsstaaf ƒ verbonden
zijn, waardoor de bollen den e in eene stelling naar verkiezing kunnen gebragt
worden, dus ook in eene rigting, die in de figuur door tittels is aangegeven.
De leekening beeldt den toestel af, zoo als hij zich van boven gezien voordoet.
De staafyV; verbeelde men zich dus niet op de bollen te liggen, maar op een'
afstand er boven, zoodat er loodregte staven van de punten ƒ en^ uitgaan, die
de bollen d en E dragen. Door dit zinrijk uitgedachte werktuig, dat men alleen
met zeer veel voorzorg en groote oplettendheid kan gebruiken, blijkt dat, in-
diende groote bollen nabij de kleine gevoerd worden, de bol b door e, en a door
d wordt aangetrokken; zoodat bij de verwijdering der groote bollen, bet staafje
ab eene horiz9ntaal slingerende beweging verkrijgt. Die slingeringen zijn ver-
geleken met die, welke de aarde aan elk opgehangen ligchaam onder zekere om-
standigheden geven kan, en het werktuig van Cavendish is daardoor de schaal
geworden, waarmede men de aarde wegen kan.
De hoeveelheid vaste stofdeelen, in een stof voorhanden, noemt men de
iitassa der stof. jNIen kan derhalve zeggen, dat dc zwaartekracht der ligchamen toe-
neemt, naarmate de massaas grooter worden.
Bij de vermelding van dit verschijnsel, dringt zich welligt de gedachte aan u
op : indien deze kracht werkelijk aan alle dingen eigen is, van waar dan toch,
dat wij haar niet duidelijker ontwaren; immers moesten dan alle dingen in mi'
oogenblik zich bijeen bevinden, en wij telkenreize in gevaar verkeeren, om naar
buitengewooii groote voorwerpen te worden heen gedrongen! — Dit zou ook
moeten gebeuren, zoo er niet iets was, dat het verhinderde. De aarde, de bol,
dien wij bewonen, is onv ergelijkelijk vele muien grooter en bevat ontelbaar meer
atomen in zich, dan eenig ligchaam, dat op hare oppervlakte gevonden wordt;
de hoogste berg is, bij hare uitgebreidheid vergeleken, niet grooter dan een
zandkorrel iu vergelijking van een' bol van 2 el middellijn of ruim 6 el om-
trek; derhalve moet die aarde alles tot zich trekken met eene kracht, zoo veel