Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
staan, ziet men in licht, dat door het glas heen het oog bereikt, donkere ringen,
enz. omgekeerd. In teruggekaatst licht, staan de kwadraten der middellijnen
of stralen der op elkander volgende gekleurde ringen, tot elkander als de oneven
getallen I, 3, 5,7 enz., en bij doorgelaten licht verhouden zich de kwadraten
der middellijnen van de donkere ringen tot elkander als de evene getallen 2, 4>
6, 8 enz. Die middellijnen zyn natuurlijk van het midden tot het midden of
op het lichtste gedeelte der ringen gemeten. TJit die lengte der middellijnen en
uit de bekende krommingsstraal der lens, kon Newton voor eiken ring de dikte
berekenen, welke de lucht-laag tusschen de glazen had op de plaats, waar de
ringen ontstonden. Om nu de genoemde merkwaardige verschijnselen te verkla-
ren, slaat men den volgenden weg in. Vooraf wete men, dat Young heeft be-
wezen, dat, wanneer een lichtstraal bc (zie fig. "it eene sterker brekende
Fiq. 249. middelstof P Q bij eene minder
brekende in c aankomt, en aldaar
wordt teruggekaatst, deze terug-
gekaatste straal c d eene halve
golflengte zal worden vertraagd
of achteruit gehouden, in verge-
lijking met den straal te, die aan
de oppervlakte in b wordt terug-
gekaatst. Stel nu eens, dat twee
lichtstralen a6 en J d naast elkan-
der, met gelijke golvingssnelheid,
en op denzelfden oogenblik op
eene zeer dunne middelstof PQ
vallen; dan wordt at gedeeltelijk in de rigting 6 c teruggekaatst, en volgens
bc gebroken; insgelijks wordt bc in de dunne laag volgens cd teruggeworpen,
en volgens c m gebroken. De lichtstraal ƒ d wordt op dergelijke wijze in de rigting
d n gebroken, in d p teruggekaatst, en eindelijk d n op nieuw gebroken en terugge-
kaatst volgens nrenng. Bij elke inwendige terugkaatsing wordt nu, zooals boven
is gezegd, de straal eene halve golflengte vertraagd, dat wil zeggen, de straal bc
geraakt zooveel bij zijne terugkaatsing achteruit, alsof hij in de middelstof nog
een eind wegs van eene halve golflengte meer afgelegd heeft, dan schijnbaar
het geval is. Het bij t in P Q tredende licht, verlaat bij d dus in dier voege
l
de laag P Q, als hadde het den weg b c
cd afgelegd, indien wij na-
melijk met l de lengte aanwijzen van eene lichtgolf. Een ander deel dezes straals
gaat bij n zoodanig naar buiten, als hadde het den weg bc cd-^-
d ïi doorloopen. De andere lichtstraal ƒ d wordt, zonder vertraging, deels in de
rigting d p teruggekaatst en deels in n doorgelaten, na dit deel den weg d n
he<^ft gemaakt. Het is duidelijk, dat het in c teruggekaatste licht van den oor-