Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
23
Waarom kan een stalen degen zeer ver omgebogen worden, terwijl een van
ijzer spoedig zal breken?
Waarom zal een lange marmeren schoorsteenlijst, alleen aan de uiteinden
ondersteund wordende, eindelijk eene bogt verkrijgen? (Denkt aan het verschil
tusschen volkomen en onvolkomen veerkrachtig !)
Waarom zal de veer van een horologie na eenige jaren minder sterk spannen?
Waarom is het niet goed, om de klemmen voor ongedierte lang gespannen
te laten liggen?
Waarom bezigt men op eene biljart-tafel ivoren, en geene steenen ballen?
Waarom springt een lederen bal, met haar gevuld, veel verder terug dan een
houten, wanneer zij beiden even hard tegen den muur worden geworpen?
Waarom nemen touwen of koorden, die men in elkander wringt, eene draai-
jende beweging aan, tegengesteld aan die, waarin wij ze bewogen, indien men
hen, zonder dat zij behoorlijk zijn voorzien, aan zich zeiven overlaat?
ACHTSTE LES.
De Zwaarte.
Onder de meest bekende en meest in het oog loopende eigenschappen der
ligchamen behoort ook die, dat elk ligchaam als het ware eene zekere neiging
openbaart, om zich in eene bepaalde rigting naar de aarde te bewegen. Wor-
den de ligchamen vrijgelaten, zoo vallen zij in eene bepaalde rigting op den
grond. Wordt dat vallen belet door een ander ligchaam, waarop het eerste
rust, of door een snoer, waaraan het hangt, zoo openbaart het drukking op dè
onderlaag of trekking aan het snoer. Men beschouwt dit als een gevolg van eene
aantrekkende kracht, die de aarde op elk ligchaam uitoefent. Kracht noemt
men de onbekende oorzaak, die een ligchaam of wel zijne deelen in beweging
brengt, of de beweging verandert of wijzigt. Wij kennen dus alleen de kracht
uit hare werking en weten niet, waarin zij eigenlijk bestaat. Zoo schrijft men
nu ook de bovenvermelde verschijnselen aan eene kracht toe, waarmede de
aarde elk voorwerp tot zich doet naderen. Die kracht noemt men, om aan-
stonds te vermelden reden, zwaartekracht of enkel zwaarte [gravitatie). Niet alleen
de aarde uit die aantrekkingskracht, alle ligchamen doen zulks, alle trachten
elkander te naderen; maar het vermogen, waarmede dit het groote doet, over-
wint dat van het kleine Het spreekt van zelf, dat die kracht alleen in de vaste
stofdeelen, in de atomen moet bestaan, want in de poril'n, in die ledige ruim-
ten, kan deze kracht niet liggen, en hieruit volgt dus al aanstonds, dat hoe
meer atomen een ligchaam bezit, het des te meer kracht aan den dag moet leg-
gen, om eene andere stof, die er minder inhoudt, tot zich te doen naderen.
Proeven hebbeu de waarheid hiervan bevestigd.
De natuurkundige Cavendish vond daartoe een' toestel uit, bestaande in een
2