Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.427
bijv. door een rood of groen glas gaan, zoodat men slechts eenkleurig licht ver-
krijgt, zoo ziet men de roode of groene strepen door zwarte van elkander ge-
scheiden. Wisselt men, zonder de stelling des spiegels te veranderen, de kleuren
des lichts door het tusscheuschuiven van gekleurde glazen af, en wel zoodanig,
dat men van rood tot violet door al de kleuren des spectrums voortgaat, zoo be-
vindt men, dat bij het rood de ligte, of liever deenkelvoudig gekleurde, strepen het
breedste zijn, en verder bij elke volgende kleur smaller worden, zoodat de
violette het smalst zijn.
Hieruit vloeit van zelf voort, dat bij aanwending van wit licht de donkere
strepen verdwijnen moeten, en er lichte, verschillend gekleurde strepen naast
en over elkander zullen vallen. Bedekt men een' der spiegels, dan zijn ook de
strepen opgeheven; dit is een bewijs, dat het strepenstelsel alleen door interfe-
rentie ontstaat. Fresnel heeft uit den bekenden afstand der lichtspleet, den hoek,
dien de spiegel vlakken met elkander maken, de wederzijdsche ligging der beelden
P* en P", en de bekende stelling der ontstane strepen in nmf de grootte van de
wegen berekend en bepaald, welke de lichtstralen, van P uitgaande^ moeten
afleggen, om de genoemde strepen voort te brengen, en op deze wijze gevonden,
dat de middelste verlichte strepen in m zich bij alle kleuren bevindt op gelijke
afstanden m P' en m P" van de beide beelden P' en P", en dat alzoo de elkander
in m interferende lichtstralen juist gelijke wegen P6menPcmhebbenafgelegd.
Zulke stralen moesten dus ook de lichtgolveD, die in de rigting van eiken straal
werden voortgeplant, bij hunne doorkruising versterken; van daar het meer-
dere licht in m. Verder berekende hij 1* dat de lichtlijn, die bijv. in n of in s,
even ver boven of beneden m ontstond, werd voortgebragt door stralen, die
ongelijke wegen Pdn en Pgn hadden doorloopen, en dat, indien dit verschil
eens .r bedroeg, alsdan bij het ontstaan der eerstvolgende lichtstreep het ver-
schil der wegen van de lichtstralen, wier doorkruising deze hadden doen ont-
staan, 2x was, en zoo bij elke volgende lichtlijn 3 x, 4* enz.; 2* dat de donkere
strepen werden tot stand gebragt door lichtstralen, wier afgelegde wegen van P
afgerekend | x, f- x enz. bedroeg; 3' dat voor elke andere kleur, x eene andere
waarde verkreeg, en wel voor rood de grootste voor violet de kleinste. Men ziet,
dat deze uitkomst volkomen in overeenstemming is met den aard der vibratie-
theorie, indien x de lengte eener golf voorstelt. Werkelijk heeft men dan ook
de lengte der golven, zooals zij reeds op blz. 390 vermeld zijn, gevonden.
Wij gaan thans tot verklaring der lichtverschijnselen over, die bekend zijn
onder den naam van buiging of diffractie der lichtstralen; wij zullen zien, dat
ook deze eigentlijk tot de interferentie-verschijnselen behooren.
Indien men door eene zeer fijne opening een' lichtstraal in eene donkere kamer
laat treden, en dit licht tegen een zeer smal ligchaam doet vallen, vertoont zich
de schaduw van dit ligchaam breeder^ dan men ten gevolge der evenwijdige regt-
lynige voortplanting des lichts zou verwachten. Indien men de door deze fijne
opening vallende stralen op eene witte vlakte opvangt, doet sich de verlichte