Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
us
geval is, plaats in alle mogelijke rigtingen in het vlak CD fig. 239, dat loodregt
op de lichtstraal A B staat, maar slingeren de ethermoleculen allen volgens regte
lijnen, die onderling evenwijdig zijn, en die in een vlak CD liggen, (zie fig. 240),
Fig. 240. dat men zich kan ver-
beelden overlangs door
de lijn^ B te gaan, zoo
zegt men dat de licht-
straal regtlijnig gepola-
riseerd is. Een vlak E F,
op hetwelk de slinge-
ringsrigtingen loodregt staan, en dat dus door den lichtstraal £ loopt of er
evenwijdig mede is, noemt men het polarisatie-vlak. Nog kunnen de genoemde
etherdeelen door den invloed vau andere golven in cirkelvormige of langwerpige
hanen slingeren en dan heeten de lichtstralen cirkel- of ellipsvormig gepolariseerd.
jNIen verstaat in het algemeen volgens het voorgaande door interferentie des lichts
de wederkeerige werking der lichtstralen op elkander, wanneer zij te zamen
treffen. Het kan namelijk gebeuren, dat twee van dezelfde lichtbron afkomende
stralen, langs verschillende wegen, indezelfde regte hjn zamen vallen, ofelkander
onder zeer spitse of scherpe hoeken snijden. Beide verschijnselen zijn dus gevolgen
daarvan, dat de stralen evenwijdig of bijna evenwijdig aan elkander loopen. In
het eerste geval oefenen zij over hare geheele lengte, in het laatste slechts in het
doorkruisingspunt invloed op elkander uit.
Die invloed is of lichtversterkend of licht-verzwakkend; zoodat inderdaad eene
toevoeging van licht tot licht duisterheid kan voortbrengen. Deze zeer merkwaardige
waarheid laat zich alleen door de golvings-theorie verklaren.
I.aten bijv. A B en CD (zie fig. 24I) twee lichtstralen zijn, die van dezelfde
Fig. 241.
lichtbron afkomen, maar door breking, terugkaatsing of dergelijke van hare
divergerende of uiteenloopende rigting zijn afgeraakt en dientengevolge elkander
onder een zeer scherpen hoek in a snijden; de kromme lijnen stellen weder, voor
een bepaald oogenblik, de ligging der golvende etherdeelen, in de rigiing van
ieder der stralen, voor. Zijn nu de wegen, welke beide de stralen van de lichtbron
af tot aan het punt a afgelegd hebben, even lang, of verschillen zij eene of meer