Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
Fig. 224.
wondering ten top. Het behoeft geene uitvoerige verklaring, waarom in den
stereoskoop van Brewster de beide beelden tot één worden; de prismatische
vorm der beide halve lenzen doet de beelden naar den scherpen kant der lens
eenigzins verschuiven (zie fig. 188) en daardoor over elkander vallen. Met twee
van zeer scherpe hoeken voorziene prismaas zou men hetzelfde doel bereiken.
Het gebeurt dikwijls, dat wanneer het netvlies een' zekeren lichtindruk ont-
vangt, de naburige plaatsen van dit vlies ook door dat licht aangedaan worden,
even als door een' toon de aangrenzende ligchamen tot medeklinken worden
gebragt. Die vergrooting of uitbreiding van den lichtindruk in het oog is
bekend onder den naam van irradiatie. Dat verschijnsel is bloot subjectief, d. i.
het is niet voor alle personen hetzelfde, het is niet iets wezentlijks, het bepaalt
zich alleen tot den waarnemer zelven. Om het zigtbaar te maken slaat Plateau
Fig 225 volgende proef voor: Men beplakt een' dof
zwarten grond met twee regthoeken van helder wit
H papier, laat tusschen beiden eene smalle zwarte
streep oubedekt, en daaronder bevestigt meu een'
derden witten strook, juist zoo breed als de onbe-
dekt geblevene smalle streep, die de genoemde
regthoeken scheidt (zie fig. 225); verlicht men nu
het alzoo ingerigte vlak dooreen helder licht, en rigt
men er eenigen tijd de oogen op, zoo schijnt de witte
streep veel breeder dan de zwarte, en wel te breeder
naarmate men er langer op gestaard heeft en het iicht
te sterker is. Aan de irradiatie of uitbreiding van
het licht op het netvlies moet het ook worden toegeschreven, dat men soms de