Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.401
Misschien zal na de gegevene verklaring van de wijze, waarop de beelden der
omgelegene voorwerpen in het oog ontstaan, de vraag zijn opgei ezen : koe komt
het, daar er in elk oog een beeld tuordt voortgebragt, dat wij met onze beide oogen
de voorwerpen niet dubbeld zien ? Om deze vraag op te lossen, heeft men alweder
verschillende wegen ingeslagen, en de beste verklaring heeft nog niet alle be-
denkingen weggenomen. Wij zullen de zaak eenigermate duidelijk trachten te
maken.
Laten (zie fig. 222) de cirkels a k b en end de beide netvliezen der oogen
Fig 2'22. voorstellen, g en h de plaatsen,
waar de gezigtszenuwen in het
oog treden, i een punt, naar het-
welk deoogen gerigt zijn, ie enif
derhalve de verlengde oogassen ;
dannoemt mende punten eenf op
het netvlies overeenkomstige \nin-
ten. Alle plaatsen verder, die
tui op elkander vallen, wanneer
men de afbeelding van het reg-
teroog in de teekening op die
van het linker legt, zoodanig dat
het punt c op a en d op b komt
te liggen, noemt men mede over-
eenkomstige punten. Alzoo zijn
n en k, beiden links van e en ƒ
gelegen, alsmede l en m, regts van e en ƒ liggende, overeenkomstige punten.
Zoo lang nu in de oogen de beelden der omgelegene voorwerpen op overeen-
komstige punten van het netvlies ontstaan, zoo lang ziet men die voorwerpen
enkel; maar ligt het eene beeld regts en het andere links van de punten een
ƒ van het netvlies, zoo ontwaart men de dingen dubbeld. Beschouwen wij dus
een' vinger b. v. in i en houden wij een' tweeden in o, naar welken de oogassen
dan niet gerigt zijn, zoo wordt die tweede dubbeld gezien, want zijne beelden
l en n liggen regts en links van het midden, en derhalve niet op overeenkomstige
plaatsen. Zien wy naar den vinger o, en zijn dus naar dezen de oogassen ge-
rigt, zoo zal i dubbeld schijnen. Beide oogen toch zijn te beschouwen als
takken, die van éénen wortel uitgaan, en die, gelijke indrukken ontvangende,
slechts een enkel gevoel aan de ziel overbrengen. Het verklaarde bevestigt zich
ook nog door het eene oog zacht met den vinger te drukken, waardoor het de
beweging van het andere, met hetwelk men naar eeuig voorwerp ziet, niet kan
volgen; in het laatst genoemde oog ontstaat dan het beeld midden op het net-
vlies, in het andere, van hetwelk de beweging is verhinderd, niet; hel gevolg
daarvan is, dat men het voorwerp dubbeld ziet.
Het is opmerkelijk, dat de beide gezigtszenuwen g en/» niet op overeenkomstige
18''