Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.399
Fig. 220.
een ligchaam van zekere grootte nog zien kan, geeft meu niet zoo zeer dieu
afstand op, als wel den hoek aob (zie fig. 220), die de lijnen a b en b' a
met elkander ma-
ken, welke vau
de grenspuuten
a en 6 des voor-
werps tot aan de
grenspnnten a
en b' van het
beeld, hetwelk
zich op het net-
vlies vormt, ge-
trokken wordeu. Deze hoek aob noemt men gezigishoek, en het is duidelijk,
dat van de grootte van dezen hoek ook de grootte van het beeld op het net-
vlies afliangt. Men ziet uit de figuur, hoe noodzakelijk het is, om tot bepaling
der genoemde grens niet den afstand, maar den gezigtshoek te gebruiken :
immers het ontstaan van een duidehjk beeld op het netvlies hangt uiet slechls
van den afstand, maar ook van de grootte des voorwerps af, en de gezigtshoek
wordt juist door de grootte en den afstand beiden bepaald. Het spreekt van
zelf, dat de genoemde duidelijkheid des beelds ook afhankelijk is vau de mate
van licht, die het voorwerp ontvangt, vau de kleur, die het heefl, vau deu
aard van den achtergrond, tegen welken het gezien wordt, enz. Een voor-
werp, dat matig verlicht wordt, is dooreen gewoon oog nog onder eeu' hoek
van 30 seconden zigtbaar, en dit houdt men gewoonlijk voor de grens, tot
welke de ligchamen behoorlijk kunnen worden waargenomen. Een bhnkend
zilverdraad kan echter op een' donkeren achtergrond nog onder een' hoek vau
2 seconden, en een hoofdhaar, dat tegen den helderen hemel als achtergrond
gezien wordt, nog op een' afstand van omtrent 2 el waargenomen worden.
Dat deze grens veel verder wordt gesteld door middel vau verrekijkers, is uil
zich zclven klaar. De groote sterrekundige Struve kon door eenen kijker, die
240 maal vergrootte, op eeuen afstand vau 2000 cl nog een wit schijfje waar-
nemen van 1 streep middellijn; dit schijQe zou op dieu afstand aan het bloote
oog zich vertoond hebben onder eenen hoek van 0,1 seconde.
Nog blijkt uit fig. 220, dat verschillende voorwerpen, b. v. A B e\\ a b,
zich ouder denzelfden gezigtshoek aan het oog kunnen voordoen, en dat A H
een beeld op het netvlies zal vormen even zoo groot als ab. De ziel kan der-
halve uit de grootte der beelden, die op het netvlies ontstaan, niet tot den
afstand der voorwerpen besluiten. Het bepalen van dien afstand is het werk
van het verstand; wij zijn hierin door ervaring wijs geworden. Eeu jong kind,
dat nog geene ondervinding iu deze heeft verkregen, beschouwt de maan.
den regenboog, enz. als in zijne onmiddellijke nabijheid. Het is daarom ook,
dat wij ons iu de schemering nog wel eens vergissen en iu de verte een* hoo-