Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.397
^ vermogen van het oog. Hoe deze werking geschiedt, hieromtrent bestaan ver-
schillende gissingen. Het kan plaats hebben, l* door de lengte van de oogas,
dat is, de afstand van de hoornhuid ac tot 6 (zie fig. 216) te veranderen, na-
melijk door deze te verlengen voor nabij gelegene, en te verkorten voor veraf-
gelegene voorwerpen, zoodat in het eerste geval het netvlies verder van de hoorn-
huid ligt en in het laatste digter bij ; 2' door verplaatsing der kristallens; 3'
door de kromming van de brekende middelstoffen te vermeerderen of te ver-
minderen; 4' kunnen al de genoemde veranderingen te gelijkertijd daartoe die-
nen, enz.
Er bestaat echter voor elk oog een afstand, waarop het de voorwerpen met
meer gemak ziet dan op eiken grooteren of kleineren afstand; men hondt op
dezen gewoonlijk bij het lezen een boek, dat met letters van gewone grootte
gedrukt is. Dezen afstand noemt men dien vd^n duidelijk zien, en hij bedraagt
voor een gewoon gezond oog omtrent 2 palm 5 duim ; voor de waarneming van
kleine ligchamen slechts 1 palm 4 «luim. Met het toenemen van den ouderdom
wordt de afstand van duidelijk zien doorgaans grooter. Menschen, bij wie die
afstand beduidend kleiner is dan 2.5 palm, noemt men b^tiende en die, welke
slecht.'^ op grooteren afstand duidelijk zien^ verziende. De reden, waarom rrteii
de ligchamen, die zeer nabij het oog liggeft, niet duidelijk zien kan, bestartt
daarin, dat de lichtstralen, die van het ligchaam afkomen, te veruit elkander
loopen, dan dat zij door de brekende middelstof van het oog sterk genoeg zou-
den kunnen gebogen wordeu, om zich op het netvlies weder te vereenigen.
Hetvereenigingspunt van gezegde stralen moet alsdan achter het netvlies Hggen,
en er wordt dus op het netvlies door de gebrokene stralen slechts eene uit-
vloeijende, niet scherp begrensde lichte vlek gevonnd. Prikt men echter in een
kaarteblad, eene kleine opening, dan kan men daardoor de letters in een boek
b. v. onderscheiden op zulk eenen kleinen afstand, als waarop het bij verwij-
dering van het kaarteblad niet mogelijk is ze te lezen; in dat geval gaat van
een enkel punt van het zeer nabij liggende voorwerp weder een bundel »tra-
' len uit in verschillende rigtingen; maar door het kaarteblad als diaphragma
worden de buitenste afgekeerd ; ze treden dus door de fijne opening bijita m
eene evenwijdige rigting in het oog, «n zullen op eene meer bej)erkte plaats
het netvlies aandoen. Dat de alzoo gevormde beelden veel vergroot, maar ook
eenigermate duister zullen schijnen, volgt van xelf uit de gegevene verklariiig.
Indien men in een kaarteblad met eene naald twee kleine openingen prikt,
die niet zoo ver van elkander liggen als de middellijn bedraagt van den oogappel,
dus geen 3 streep, en men houdt deze openingen digt voor het oog, zoo ziet
men eene speld of naald, die men zeer nabij de openingen houdt, en dus bin-
nen den afstand van duidelijk zien, dubbeld; verwijdert men de naald alver-
der van het oog. zoo wordt zij op den afstand van duidelijk zien enkeld, en
verder af op nieuw dubbeld. Van het voorwerp, dat zeer nabij is geplaatst,
gaan namelijk twee zeer fijne stralenkegels door de beide gaatjes heen in het