Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.396
er leven en bekoorlijkheid aan geeft, wordt, indien wij de oogen er heen rig-
ten, met de fijnste en scherpste trekken op het netvlies afgebeeld, en opdat
die beelden, en het zien zelf, geheel volmaakt zijn zonde, opdat ook hier zoo
min als bij goede kijkers kleurschifting plaats hebbe, bestaat het oog insge-
lijks uit lenzen van verschillende stoffen, die het daardoor bijna volkomen achro-
matisch maken, en waardoor dus de voorwerpen zuiver, zonder gekleurde ran-
den, worden waargenomen.
Meu heeft reeds verschillende wegen ingeslagen, om de volgende bedenking
op te lossen : daar de beelden allen verkleind en omgekeerd op het netvlies ont-
staan, waarom zien wij dan de voorwerpen niet allen het onderste boven.
Keu vau deze verklaringen luidt aldus: wij kunnen alleen aan de stelling, die
een ligchaam ten opzigte san een ander heeft, ontdekken, of het omgekeerd
is; wij zeggen vau twee menschen, dat zij met betrekking tot elkander omge-
keerd staan, indien de eene het hoofd heeft op de plaats, waar zich de voeten
des anderen bevinden, en de voeten daar, waar meu het hoofd van den twee-
den ziet. Dewijl nu echter de beelden van alle ligchamen op het netvlies met
betrekking tot elkander dezelfde stelling behouden, en men ook alle deelen van
een ligchaam in die rigting waarneemt, waarin wij de gewaarwordingen der
lichtstralen A a, Bb (zie tig. 217) ontvangen, en wij ons door betasting kun-
nen overtuigen, dat de deelen zich werkelijk bevinden, aan welke omstan-
digheden zouden wij dan moeten bespeuren, dat zich de beelden op het net-
vlies omgekeerd voordoen ? Men ziet hieruit, dat de ziel uit de wijze, waar-
op het netvlies of de gezigtszenuw door het licht wordt aangedaan, zich
de voorwerpen juist zoo moet verwezentlijken, als zij zich in de natuur ver-
tooneu.
Bij de verklaring der lenzen is aangetoond, dat het beeld van een voorwerp
zich digter bij de lens vormt, naarmate het zich verder ervan verwijdert : de*
wijl het oog nu eveneens werkt als eene lens, zoo moeten wy de ligchamen
slechts op zulk eenen afstand duidelijk zien, dat het straalbrekend vermogen
des oogs de daarvan afkomende lichtstralen juist op het netvlies kan vereeni-
gen. De ondervinding leert echter, dat wij alle voorwerpen duidelijk onder-
scheiden, die meer dau 22 duim van ons verwijderd zijn. De oorzaak, waar-
uit dit voortvloeit, is nog niet bekend. Dat er tot het zieu van nabijzijnde en
verafgelegene voorwerpen eenige verandering in het oog moet ontstaan, dit
lijdt geen twijfel. Niet alleen wordt dit bevtstigd door de leer van de breking der
lichtstralen, maar ook de ondervinding leert zulks. Ziet b.v., naar twee voor-
werpen, die bijna in eene regte hjn zijn gelegen, doch waarvan het eene verder van
het oog ligt dau het andere, zoo zal, indien men het verstafgelegene duidelijk
ziet, het nabij gelegene ons onduidelijk, aan de randen uiteenvloeijend, toeschij-
nen. Ziet men het uabijgelegene duidelijk, zoo is het verstverwijderde zeer
Haauw. Het oog moet dus het vermogen bezitten, om zich lot waarneming
op deze verschillende afstanden toe te rusten. Meu noemt dit het accommadatit:' !