Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.389
Fig. 212.
truiu onzuiver maakt: dc stralen, die door de opening treden, zijn niet even-
wijdig, daar zij van hooger of lager liggende punten des zonneligchaams afko-
men. Ook de brekende stof p heeft grooten invloed op het verschijnsel.
Ten einde een zooveel mogelijk onvermengd spectrum te verkrijgen, vereenigt
men de stralen, alvorens zij door de opening o treden, door middel van eene
lens, leidt ze daarna door twee achter elkander geplaatste zeer smalle spleten,
en breekt ze door een zeer zuiver prisma van Hintglas. Wordt nu digt achter
het prisma in de rigting der stralen o r en ow een sterk vergrootende verre-
kijker geplaatst, weljcs voorwerpglas de gebrokene stralen opvangt, zoodat men
door den kijker een regt duidelijk beeld van het spectrum waarneemt, dan ont-
dekt men in den breeden met de bekende kleuren voorziencn zoom, dien de ge-
zegde spleet voortbrengt, vele groepen van donkere strepen, welke naar den
naam van den ontdekker Fraunhofersche strepen
genoemd worden. Hoe sterker de vergrooting des
kijkers is, hoe meer talrijk die strepen worden ;
hare opeenvolging is onregelmatig, maar altijd de-
zelfde, van welke stof het prisma en hoe groot
zijn brekende hoek ook zijn moge. Fig. 212 stelt
het spectrum met eenige der gewigtigste donkere
lijnen voor. De letters, bij enkele strepen ge-
plaatst, zijn dezelfde, die Fraunhofer gebruikte,
;3 om die lijnen aan te wijzen; zij zijn het gemak-
^ kelijkst te herkennen, omdat zij het duidelijkste
en scherpste zijn. De loodregte lijnen Ii\ c D',
£', 6' F* eu G', die tot aan de kromme M L N ge-
tiokken zyu, maken de lichtsterkte op elke plaats
van het spectrum aanschouwelijk; naarmate die
lijnen langer zijn, is dus het licht het krachtigste.
Men ziet, dat in het oranje en geel de intensiteit van
ii
2 het licht het grootste is. Fraunhofer drukte door
de volgende getallen die sterkte uit: het buitenste
^ rood 32, er midden in 94, oranje 64O, tusschen
^ geel en oranje 1000, groen 480, lichtblaauw 170,
tusschen blaauw eu violet 31, violet 5,6. De kromme
g PRQ stelt voor, in welke eene mate de schei-
® kundige werking der gekleurde stralen van P
^ naar Q toeneemt. Deze werking is dus aan het
S violette einde des spectrums het sterkste, en strekt
zich zelfs iK)g ver buiten de grenzen van het
spectrum uit. De kromme S V FV doet zien, hoe-
danig de warmte in het spectrum wast, uaar-
mate men meer het roode einde nadert. De