Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.388
aan y op. Laat men nu weder ile beenen no en^o om de lijn op als as
omwentelen, zoo zullen zij cirkels beschrijven, die met den eerst beschouwflen
boog hetzelfde middelpunt p gemeen hebben. De cirkel met n o beschreven, en
dus de grootste, zal dien kring aantoonen, waarin de violette lichtkleur is
gelegen, en die door yo voortgebragt, zal den violetten boog bepalen. De
kleuren liggen in de tegenovergestelde orde. Hieruit volgt:
r dat de breedte van den tweeden boog, de breedte der zonneschgf in aan-
merking nemende, omtrent 3J graad zal zijn;
2" dat de tusschenruimte der beide bogen zal beloopen 50* 59', min 42' 2',
dat is omtrent 8' 57';
3' dat <loor de grootere middellijn van den tweeden boog een gedeelte van
dezen zigtbaar zal kunnen wezen, als de hoofdregenboog niet gezien wordt;
4* dat door de dubbele breking en dubbele inwendige terugkaatsing van
de lichtstralen het licht zeer moet verzwakt worden, en de tweede boog dus
veel bleeker en krachteloozer zal moeten zijn dan de eerste, hetwelk ook door
de ondervinding bevestigd wordt.
DRIE EN VIJFTIGSTE LES.
Over het acliromatismus.
Het valt bij eene zelfs oppervlakkige beschouwing van het spectrum in het
oog, dat de kleuren niet onvermengd, niet ieder op zich zelve voorkomen ; het
rood wordt zoo wel als het geel, hlaauw enz. door stralen van eene andere kleur
verlicht, en men geeft ze slechts de in fig. 211 aangegevene namen, omdat
er het rood, oranje, geel,
1 u j. 1 f
. enz. de overhand m heeft.
Deze vermenging en in-
eenvloeijing der kleuren
ontstaat daaruit, dat er
door de opening o van
het vensterluik niet een'
enkelen lichtstraal, maar
een bundel stralen treedt,
die elk hun spectrum ge-
ven. Hoe kleiner derhalve
de opening is, en hoe ver-
der de vlakte C D van het prisma is verwijderd, (dit laatste, omdat dan de
kleuren door het uiteenloopen der stralen verder van elkander vallen) hoe
zuiverder het spectrum zijn zal. Er is nog eene omstandigheid, die het spec-
J) J)