Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
38o
rooden straal opvangt, door de sterke verstrooijing der kleurenstralen niets
van de overige gewaar wordt, en dat deze er boven heengaan. Ook is het
mogelijk, dat een oog alleen den boven co liggenden violetten straal ziet, en
de overige minder gebrokene stralen er beneden langs gaan. Vervolgen wij
thans ons onderzoek !
Alle zonnestralen kunnen als evenwijdig aan elkander loopende beschouwd
worden; zij zijn dit evenwel niet meer na het verlaten van deu druppel. Om u
hiervan te overtuigen, zoo volgt slechts den weg, dien een andere straal z m,
evenwijdig aan den eersten loopende, in den regendruppel neemt, en welke
weg door de getittelde lijnen is aangewezen. Gij ontdektet, dat deze straal, na
zijne dubbele breking, bij het verlaten van den regendruppel den weg r o'
volgt, en dus niet meer evenwijdig aan den eersten loopt Hieruit vloeit voort,
dat door de breking en het uit elkander loopen der stralen, welke de regen-
druppels verlaten, de lichtindruk, dien zij op het oog te weeg brengen, aan-
merkelijk verzwakt wordt, en vooral dan, als de druppels zich op een'
grooten afstand bevinden. Onder al de stralen, die na de dubbele breking en
enkele terugkaatsing uit de druppels in het oog treden, kunnen derhalve die
alleen een' merkelijken lichtindruk op het oog te weeg brengen, welke na het
verlaten van de druppels zeer weinig uit elkander, ja bijna evenwijdig aan
elkander loopen, en dus als zoodanig in eenen bundel vereenigd in het oog
komen. Dit gebeurt dan, wanneer de invallende zonnestraal za een hoek xaz
met de loodlijn maakt van 54*15'. Alle stralen dus, die met de loodlijn hoeken
maken, liggende nabij 54* 15', loopen bij het verlaten van den druppel omtrent
evenwijdig aan elkander. De meetkunde toont aan, dat in dit geval de hoek
trfo, diede rigting van den invallenden straal met die van den buiten den
druppel tredenden maakt, gelijk is aan 42' 2' Indien derhalve de rigting
van den invallenden zonnestraal met die, welke hij na de breking en terug-
kaatsing neemt, eenen hoek van 4^*2' niaakt, zal er eenen merkelijken licht-
indruk op het oog worden te weeg gebragt. Bij den violetten straal zal,
zoo als weder de wiskunde aantoont, de hoek 40* 16' moeten zijn.
Laat er zich nu in o een waarnemer bevinden (zie fig. 209), die het aan-
gezigt gewend heeft naar eene wolk, waaruit het regent; zij o p de hjn, die
door het middelpunt der zon en het oog van den waarnemer getrokken wordt;
dan zullen ook de zonnestralen s x, sz, enz. die op de regendruppels vallen,
evenwijdig aan die lijn op loopen, een gevolg van den verbazenden afstand
der zon. De hoek szo, dien de invallende straal sz met den gebrokenenzo
maakt, is nu gelijk aan den hoek zop, en wel, zoo als wij zagen voor den
rooden straal, in geval de lichtstralen eenen merkelijken indruk op het oog
zullen maken, gelijk 42' 2'; doch het oog vangt niet alleen in de aangewe-
zene rigting dezen lichtstraal op, maar ook vau alle regendruppels, die op
den weg liggen, welken de hjn oz beschrijft, indien meu deze om de lijn op
laat omwentelen; die weg maakt natuurlijk den omtrek eens cirkels. Zoo u