Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.383
Fig. 206.

blaauw cn violet ontbreken. Aau het spectrum van
oranje ontbreken groen, blaauw en violet. De roodc
kleur bestaat uit rood en oranje. Aan het groen en
blaauw ontbreekt al het rood, om wit te vormen.
Bij dit gewigtig onderzoek ontdekt men ook, en dit
viel reetls bij het spectrum in onze eerste proef in het
oog, dat niet alle kleurenstralen door het glas gelijke-
lijk, of even sterk worden gebroken, In fig 202 blijkt,
dat de roode straal het minst van zijnen weg is afge-
bogen en-de violette de grootste breking heeft onder-
gaan. Zoo ook met de gebezigde strookjes papier. Door
het prisma waargenomen, schijnt het rood het minst
en het blaauw het meest van zijne plaats afgeweken.
Iedere kleur heeft derhalve een eigen straalbrekingsgetal.
Door deze opmerking is u tevens de reden van een nieuw verschijnsel
ontvouwd. Indien het oog door een prisma een sterk verlicht of een wit voor-
werp beschouwt, dan vertoont zich dit met gekleurde randen. Hoe ontstaan
deze zoomen ? Zij n b (zie fig. 207) een wit helder verlicht voorwerp ; P het
Fig. 207. prisma, met den brekenden
hoek naar beneden gekeerd.
Laat verder 6 c de laagst-
liggende lichtstraal zijn,
die in het oog O na de
breking door het prisma
treden kan, dan wordt deze
geschift, en h i zal na die
breking de violette of
sterkst gebrokene en h k
de roode of minstgebrokene straal zijn. De violette straal schijnt van v, de
roode van r afkomstig. Op gelijke wijze zal de straal a/, van het hoogste punt
uitgaande, na de schifting een' violetten nrn en een' rooden ns voortbrengen,
die van de punten v' en r schijnen af te komen. Al de violette, roode en an-
dere stralen, welke tusschen t^ en r' liggen vermengen zich tot wit; de bo-
venste r evenwel, benevens de onderste v blijven onvermengd over. Ziedaar
de reden, waarom zulk eene vlakte onderaan violet, van boven rood in het
midden wit is. Legt men een zwart vlak op een' witten grond, zoo vertoo-
nen zich dc randkleuren juist in omgekeerden zin van die van een wit vlak
op zwarten grond. Het kan niet moeijelijk vallen, hiervan de reden te vinden.
Op de kleurschifting, door de breking der lichtstralen voortgebragt, berust
ook het beslaan vaneen prachtig luchtverschijnsel, van den regenboog name-
lijk, die altijd onze bewondering afdwingt, als hij daar staat in reusachtige
grootte, reikende met het toppunt aan het hemelgewelf en schijnbaar met de