Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
20
Elk ligchaam noemden wij zamengesteld uit atonlen, die ilieÉ onmiddellijk aan
een liggen, maar eenige ruimten (poriën) tusschen elkander laten overblijven.
De atomen worden door de -reeds genoemde aantrekkingskracht, vereenigd ge-
houden. Door die kracht hangen de deelen als een geheel zamen, en zoo zg
niet aanwezig ware, zouden alle ligchamen in stofhoopen veranderen. Bestond
er nu niets anders dan deze kracht, om de ligchamen zamenhangend te doen
blijven, en werkte die bij alle even sterk, dan waren alle ligchamen even hard,
en niets zou dien zamenhang kunnen veranderen. Maar nu treedt de warm-
testof tusschen beiden, en werkt die kracht van zamenhang tegen. Zij houdt de
atomen eenigermate van elkander verwijderd; bij de eene stof meer, bij de an-
dere minder, en naarmate zij overvloediger toetreedt, maken de atomen voor
haar te meerder plaats. Een vast ligchaam, bij voorbeeld het ijs, maakt zij
vloeibaar, het wordt water; kan zij haar vermogen nog verder uitoefenen, dan
verwijdert zij de waterdeeltjes nog verder van elkander, tot zij eindelijk ;n damp
of stoom overgaan. Gij ziet dit bij kokend water. — Bij eene zeer groote koude
wordt kwik hard als yzer, zoo als menigmaal in Noorwegen, Zweden, het noor-
delijk gedeelte van Rusland, en altijd aan de beide polen onzer aarde het geval is.
Door bijkomende warmte zet het kwik zich uit en wordt vloeibaar, als zoo-
danig komt dit metaal bij ons te lande en in de geheele gematigde en heeté
luchtstreek voor. Gaat men voort met het kwik te verhitten, zoo wordt de uit-
zetting nog grooter en het gaat in damp over; een andere damp natuurlijk, dan
die zich bij het water ontwikkelde,
Ziedaar dus drie hoogst merkwaardige toestanden, den vasten, vloeibaren en
lucht- of gasvormigen toestand, ook wel onder den naam van de verschillende
a^^re^afte-toestanden bekend en die welligt alleen aan het uitzettingsvermogen
der ligchamen door de warmte hun bestaan hebben te danken.
Hoogst merkwaardig zijn ze en verdienen bovenal uwe opmerking. Eenige
ligchamen, even als water en kwik komen in de drie aggregatie-toestanden voor;
sommige kent men slechts onder twee en weder andere alleen onder ééne ge-
daante. Lood bij voorbeeld, kan vast en vloeibaar zijn, maar wij bezitten
geene warmte genoeg, om het tot gas te doen overgaan. De beenderen der die-
ren zijn altijd vast, hoewel men ze zoolang kan koken, dat ze als kalkstof
achterblijven. De vaste ligchamen zijn het meest in aantal, dan volgen de
vloeibare, terwijl de luchtvorinige slechts een dertigtal beloopen. De bodem
der zee, de grond, dien wij betreden, bestaan uit vaste stof; hierop volgt de
zee van water, die den vasten bodem grootendeels bedekt, en ten laatste volgt
eene zee van lucht, die het drooge en het water overal omringt. Onder deze
drie vormen slechts kent men op aarde alle stof. Maar van waar de benaming
lucht- of gasvormigen toestand? Omdat wij dien damp, of de stof, waartoe vele
ligchamen, zoo niet alle, bij eene groote verhitting kunnen overgaan, op het
bloote gezigt niet van de dampkrings-lucht kunnen onderscheiden, en omdat zij
vele eigenschappen met de lucht gemeen heeft, noemt men zulk eei^e stof