Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
.71
maakt. De toestel kostte 84OO giiKlen en was iii staat om metalen te doen
smelten.
Dat wij thans waarnemen, wat er moet gebeuren, indien het voorwerp zich
digter dan het brandpunt bij het glas bevindt. In het brandpunt zelf behoe-
ven wij het niet te plaatsen; want daar dan alle ervan afkomende lichtstralen,
na hunnen doorgang, evenwijdig loopen, zal er natuurlijk geen beeld ontstaan.
Zij F/r(zie fig. 198) weder de lens, O haar middelpunt, en F de beide
1^8.
brandpunten, en J B het voorwerp. Laat ons weder van den geheelen slralen-
kegel, die van het punt A uitgaat, alleen het snijdingspunt trachten te be-
palen van den straal A e, welke aan de as evenwijdig loopt, en van A O, die
door het middelpunt O gaat. De eerste gaat na de breking door het brand-
punt F', de tweede wordt niet gebroken; beide stralen behoorlijk verlengd
zijnde, ontmoeten elkander aau dezelfde zijde der lens, waar het voorwerp ligt,
in a, en het punt a is dus het beeld van . Eveneens handelende met de stra-
len Bd en J5 O, die van B uitgaan, vindt men in b het beeld van 5. Men ziet
derhalve, dat ab het beeld is van A B, en dat dit beeld zooveel maal groo-
ter zal zijn dan het voorwerp, als de afstand O n malen grooter is dan O m;
alsmede dat het beeld in dit geval altijd verder van het glas ligt dan het
voorwerp zelf.
Men zal dit beeld niet op een scherm kunnen opvangen, want het blijkt
uit de teekening, dat de stralen Ae, A O, B d en B O, na hunnen doorgang
door het glas, zich hoe langer hoe verder van elkander verwijderen. Indien
zich echter een oog aan de zijde F* van het glas bevindt, zoo zal dit de stralen
na hunne breking opvangen, en de punten ^ en B van het voorwerp in de
rigting dier stralen/'*« en F'6 meenen te zien. Het neemt dus een vergroot
beeld \an A B waar, waarin het alle toevallige omstandigheden veel beter kan
onderscheiden, dan aan het voorwerp zelf. Ziedaar dus eene beschrijving van
de loep (loupe) of het vergrootglas, zooals dat door h o rol ogiema kers, plaat-
snijders, lithographen, enz, gebruikt wordt; ziedaar de verklaring vau het een-
17'