Boekgegevens
Titel: Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Auteur: Burg, P. van der
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1854
3de, geheel omgewerkte dr.; Oorspr. dr. : 1846
Opmerking: Bevat ook: 'Fondslijst. van den uitgever G.B. van Goor ...' (36 p.)
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 738 F 19
URL: http://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_203607
Onderwerp: Natuurkunde: klassieke fysica: algemeen
Trefwoord: Natuurkunde, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Eerste grondbeginselen der natuurkunde: strekkende tot leesboek voor alle standen hoofdzakelijk tot zelfonderrigt voor jonge lieden, en tot handleiding voor onderwijzers
Vorige scan Volgende scanScanned page
19
grijpen. Dit is de 5de van de genoemde eigenschappen der ligchamen. Derge-
Jijke uitzetting zullen alle ligchamen, die men aan den invloed van de warmte
blootstelt, ondergaan. Het uilteltingsvermogen is derhalve de eigenschap, die de
ligchamen bezitten, van zich te vergrooten of uit te breiden, wanneer men ze ver-
warmt, en juist denzelfden omvang te hernemen, wanneer men ze weder tol den uroc-
geren warmtegraad terug brengt.
De meest aannemelijke verklaring van dit versdhijnsel is deze: de warmtestof
dringt in de poriën der ligchamen als water in eene sporis, èn tervrijdert dë
atomen meer en meer van elkander. Maar wat is warmtestof? Op deze vraag
zal misschien nimmer iemand beslissend kunnen antwoorden. Men weet er niets
meer van te zeggen, dan dat het eene kracht is, die in alle ligchamen zonder on-
derscheid huisvest en die de atomen steeds van elkander tracht te verwijderen.
Zij wordt hierin evenwel tegengewerkt door eene andere kracht, die wij later
uitvoeriger zullen behandelen, die de atomen bij elkander houdt en daarom aan-
trekkingskracht genoemd wordt. Deze beide krachten geeft men ook den naam
van moleculaire krachten, omdat zij de moleculen steeds begeleiden.
De warmte houdt men voor eene stof, die haar aanwezen doet kennen, door ons
een eigenaardig gevoel te verschaffen, dat jnen ook door het woord warmte uit-
drukt, terwijl wij bij gemis van dat gevoel van koude spreken.
Zoo zult gij meer zaken leeren kennen, die men alleen uit hare werking waar-
neemt, of alleen uit de verschijnselen, die zij opleveren, ontdekken kan. Wat
zouden ook wij nietige schepselen willen pogen , om al de werken Gods te
doorgronden. De warmte bestaat, — hiervan zijn wij verzekerd. Of wij ook al
niet weten, waaruit zij is zamengesteld, of waarin haar werkend vermogen ligt,
laat het genoeg zijn, dat wij haar in al hare verrigtingen kunnen nasporen eu
van haar naar welgevallen gebruik mogen maken.
Zij bezielt de geheele natuur, overal oefent zij hare magt uit, in alle ligcha-
men. Het ijs kan water worden, het water in damp veranderen, het ijzer gloei-
jen en smelten; dit en nog ontelbaar vele andere verschijnselen zijn allen uit-
werkselen der warmtestof.
Ieder uur van den dag of nacht verandert de warmtetoestand van het weder
mi in deze verandering deelen alle ligchamen, die lich op de oppervlakte der
aarde bevinden; nu zijn zij uitgezet, dan weder ingekrompen.
De bestanddeelen of de atomen der stoffen zijn alzoo nimmer in rust. Maar
waarom bemerken wij dit dan niet? Juist om dat alles in die verandering deelt.
Toch bemerkt men er zeer veel van. Immers van daar uwe mindere vlugheid
in den zomer, dan in den winter; de aderen zijn dan gespannen, de spieren uit-
gezet; van daar dat kleedingstukken gedurende den winter ons minder om het
lijfsluiten, dan in den zomer; van daar het vast klemmen der deksels op ketels
of potten, wanneer zij verwarmd zijn; van daar het ontstemmen der violen en
andere muzijkwerktuigen, die met snaren zijn bespannen Gij ziet, dat die ei-
genschap dikwerf door u is waargenomen kunnen w«jrden.